Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterker dan de liefde is de gewoonte: wanneer zou ik ooit weer zulke verliefde dwaasheden doen, ik, die in heel andere banden gebonden was, misschien al spoedig. . .

Adio! mijn schoone schat! Het is lief van je, dat je nog aan mijn verjaardag denkt, maar de droom is uitgedroomd, de smartelijke wonde van toen is een lidteeken geworden en wie niet meer bloedt, die mint niet meer.

Op dezen tweeden brief een flink, helder mannenschrift! Dat moet het schrift zijn van den Duitschen professor, die geen vitzuchtige pedant met golvende lokken en irriteerende zenuwachtigheid is, maar de echte man der wetenschap, die weet: ik en de navorscher in mij, wij zijn de karyatiden van onze eeuw, wij zijn het punt van Archimedes in de reusachtige verwarring der dolende menschheid en de tempel, die wij op dit punt bouwen is het eenige wat bestaat op zich zelf, wat bestaat voor de waarheid op zich zelf, onaantastbaar door geluk of ongeluk der individuen — ze mogen rondom ons jammeren en bulderen en banbliksems uitzenden, eenmaal komt toch het uur, dat zij allen op ons bouwen, allen zich verzamelen onder de koele, zenuwsterkende beschutting van den tempel der natuurwetenschap.

Sterke banden bonden mij aan dezen man. Toen ik, nu twaalf jaar geleden als piepjong student naar Berlijn kwam en een geestdriftig scholier werd van den gevierden hoogleeraar, had ik een aanbeveling voor hem medegebracht; hij had mij welwillend, maar even gereserveerd ontvangen als honderd anderen ook. Later was de verhouding inniger geworden — toen ik na een paar semesters lange tusschenstudie aan een andere universiteit terugkwam, voelde ik met vreugde dat een vertrouwelijkheid tusschen ons begon te rijpen, waarin zijnerzijds bijna evenveel tegemoetkoming lag als van mijn kant.

Toen stonden wij nog beiden op denzelfden bodem en de vriendschap kon nog een bijna uitsluitend intellektueele zijn. Dat ze méér was, bewees de zware beproeving: mijn ommekeer naar de journalistiek. Een tijdperk van vervreemding volgde toen in het eerst, na een ietwat heftige verklaring.

Ik ging naar Parijs, leefde, beminde, deed dwaasheden, en schreef mijn eerste boek, dat opgang maakte; voor een poos vergat ik zelfs den besten aller leermeesters voor de wilde leermeesteresse, die het leven heet. Toen geschiedde het eens dat ik hem toevallig een dienst bewijzen kon met iets, wat een journalist door zijn vlugge pen beter afging

Sluiten