is toegevoegd aan uw favorieten.

De godin van het licht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbazend groote reeksen van totaal waardelooze historische moorden en gruweldaden en onmogelijke aardrijkskundige namen en had altoos op mijn terugweg naar huis, welke drie heele sigaren duurde, dezelfde prettige gedachte: zij zal uw vrouw worden, als ge ze hebben wilt. Een kus hadden we elkaar nog niet gegeven. Dat had nog wel den tijd tot na het examen en ik geloof wezenlijk, dat ze me eventueel ook zoo iets zoo geantwoord hebben. Ik kan wel zeggen dat het jaar, dat ik nu in deze zachte vrouwelijke atmosfeer droomend doorgebracht had, het armste was geweest aan hartstochten, evenals het op philosophisch gebied kon gelden voor dat van de grootste gelatenheid.

Sedert den vorigen winter zeiden we jij en jou tegen elkaar; haar broeder had ons daar op een prettigen punchavond bijna toe gedwongen, niet, omdat we elkaar liefhadden, daar was heel geen sprake van, doch omdat ze de zuster en de huishoudster was van mijn boezemvriend. Overigens spraken wij mannen somwijlen onder ons over het opbreken van hun huishouden na het examen als van iets, dat van zelf sprak, en bij het totaal gemis aan andere bezoekers, die met Therèse in aanraking hadden kunnen komen, begrepen we beiden zeer goed dat daardoor ons trio zoodanig verschikt zou worden, dat T hereesje haar penaten naar Moabit bij mij zou overbrengen en Edmond dan bij ons thee zou komen drinken. Ik voor mij tenminste was vast overtuigd, dat onze eigenlijk nog uit niets blijkende verhouding rustig en prettig dit natuurlijk verloop zou nemen, evenals men zeker eenmaal een boek of parapluie cadeau geeft aan iemand, die ze toch al jarenlang van ons te leen heeft.

Waarachtig, dat was het schrift van de lieve krullebol, dat heel korrekte handschrift, waarin iedere haal het aankomende onderwijzeresje verried! Maar op den kant was ook een onbescheiden vetvlek, die het beeld van de huisvrouw met haar witten keukenboezelaar opriep en ook de gedachte aan de kolossale verjaringstaart, waarvan ze me al acht dagen lang gedreigd had, dat ze haar met dertig waskaarsen wou versieren, een topografische onmogelijkheid of het zou een kleine Chiniborasso moeten worden. Een uiterst komisch bakvischjes-gedicht voltooide het geheel door te zinspelen op een meibowl, waarvan de geur voor mij als Rijnlander een stuk vaderland insloot en dat alles krachtens vrouwelijk machtsbevel tegen negen uur precies: «als dat gekke gedoe, dat mijn broer met je voor heeft, voorbij is.»

Wat voor gek gedoe?