Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De morgen was jeugdig, opgewekt strijden geweest. In de afmattende gelatenheid, welke daareven de slotsom en de oplossing geweest was van al mijn denken, lag in waarheid een middagstemming. Een stemming, als wanneer de zon zengend in het zenith staat, als de oogen branden, de hersenen moede zijn, de leden zouden willen rusten en toch niet rusten kunnen, daar het koele sluimeruur van den avond nog zoo veraf is, als de lippen smachten naar een dronk en snakkend zich laven aan iedere bron, al moge ook de voorzichtigheid haar vermanende stem verheffen en zeggen dat een koude stroom boos, bedriegelijk vergift is voor de gloeiende keel. . .

Sluiten