Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met rooden strik, die zij binnenshuis nog kon dragen. Ik bleef alleen, kon op het bed een plaatsje zoeken voor mijn hoed en handschoenen en me zoo goed mogelijk in mijn eentje amuseeren. In de keuken was een geweldig gerammei. Goede hemel, wat zou het een groote taart worden!

Een tijdlang monsterde ik in het cahier, dat bovenop lag, de bloedig roode randbemerkingen bij een opstel over het «nut der wouden", wijsheid van een onderwijzeres, voor wie het nuttiger geweest was in gezelschap van haar kleine, bleeke leerling zelf wat zuurstofhoudende boschlucht in te ademen, dan daarover in het stoffige schoolvertrek litterarisch uit te weiden. Daarna keek ik een poosje uit het raam, waar men een echt grootstadsuitzicht had: aan den overkant der straat, die van af deze hoogte gezien een smalle mijnschacht leek, was een reusachtige, geelroode aanbouw. Vóór kort lag daar nog een vriendelijke tuin, nu was het reeds een zee van kantige baksteengolven, die ongelooflijk snel wiessen. Rechts lag,als een enge bergpas daar tusschen twee rotswanden door, een straat met wit schitterende lantarens. Achter de schutting aan den anderen kant stonden een paar reusachtige, donkerroode fabrieksschoorsteenen. En achter het geheel rees, als een reuzenmuur opgetrokken tot aan de witte vederwolkjes van den neveligen lentehemel, langgerekt het front van een rij torenhooge huurkazernes, zoo wit, zoo nieuw, als waren zij in één nacht op eenmaal uit den grond opgekomen — en zoo kil, zoo triest als een plotseling uit het water opgedoken koraaldam, waaraan al maar cellen op cellen opeengebouwd waren, hoe méér cellen hoe beter. Het was geen vroolijk uitzicht, maar het maakte toch ook geen neerslachtigen indruk. Er scheen een vermanende stem uit op te rijzen, die de menschen hier boven toeriep: Arbeidt, want ook gij zijt midden in het bedrijvige leven! Als men wilde kon men er zelfs iets in vinden van de forsche poëzie van een wereldstad. En de adem dezer poëzie vervulde het geheele vertrek om mij heen. Naast mij hing in de welving van het dakvenster een schel gekleurde plattegrond van Berlijn, en men zag daarop hoe de kolossus met zijn vangarmen steeds meer van het zandige land omvatte. Ik had het gevoel alsof in dit stille vertrek, waarin de geur van vlier en van gebak hing, eigenlijk eerst recht het hart van de heele reuzenstad klopte. Een stil geluksgevoel doordrong mij. Ik gevoelde dat dit Berlijn voor mij inderdaad méér was dan een uit millioenen tichelsteenen wild opgebouwde toren van Babel, méér dan een koraaldam van ontelbare leege cellen — dat

2

Sluiten