Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in één cel, in deze hier, die zoo dicht bij de witte zwanen in het oneindige blauw, bij de wolken was, iets voor mij leefde en streefde, waarvan ik, naar het mij toescheen, ai de zoetheid eerst mettertijd volkomen zou leeren waardeeren.

Nu klonk door de wijdopenstaande deuren de vroolijke stem van het meisje zelf:

— Wilhelm, kijk eens naar de Meikruiden op de kommode.

— Ze zien er mooi uit, Thereesje, ze schijnen nog heel versch.

Na een poos sterker bordengerammel:

— Zeg, Wilhelm!

— Nu?

— Je moet niet denken, dat je niets van me krijgt voor je verjaardag.

— Over 'n paar jaar zal het wel in orde komen, hè?

— Het is nog niet heelemaal af. . . .

— Dan weet ik er al alles van.

Onder het praten was ik langzaam tot bijna bij de gangdeur gewandeld en zag nu het bruine japonnetje heel dicht vóór me fladderen.

— Nu, als het over een jaar maar zoo ver is!

— Als je nog twee keer op en neer loopt, is het heelemaal klaar.

— Zoo? En wat voor onbruikbaar ding is het wel?

— Dat verklap ik niet. Maar blijf in 's hemelsnaam uit de keuken, ik kom zelf al plaats te kort.

Een poos lang zwegen we beiden. De vette geur uit den verjaardags-heksenkeuken werd prettig sterker. Eindelijk vroeg ik: — Therèse, weet je ook wat je broer met me voor heeft?

— Wacht eens, hoe noemt hij dat ook — zoo'n spiri... spiri... tistische soirée, zegt hij.

— Hè?

— Ja, zeker! Ik heb het woord toch immers goed uitgesproken?

— Ja, maar. . .

Op dit moment hoorde ik een sleutel in het slot van de deur rammelen, en Edmond kwam binnen.

— Goeie morgen, jarige! Gefeliciteerd met den dertigsten. Nu ga je al hard naar den ouden dag!

Zuster en broeder waren beiden de kamer in gekomen. Zij droeg een wit schortje, had nog vrij hoekige meisjesvormen; haar wangen gloeiden van de hitte in de keuken;

Sluiten