Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heur haar kleefde vochtig op haar voorhoofd. Hij was een stramme man met breede schouders, altijd net geschoren. Nooit zag ik iemand met kouder gelaatsuitdrukking en toch was zijn gemoed niet kil; uit alles aan hem sprak de man, die al veel meegemaakt heeft, maar dien niets terneer drukt; zoo naar 't uiterlijk oordeelend kon hij evengoed een kranig officier in politiek zijn als de kassier van de heeren Hirsch en Levisohn. Wij staken beiden een sigaar op en bleven een oogenblik aan de tafel zitten babbelen; ons kleintje bracht Berlijner «wit» en nipte daar daar zelf van mee.

— Vertel me eens, Edmond, zei ik, nadat we een paar woorden gewisseld hadden, ben je nu heelemaal gek geworden ? Wil je me mee naar een spiristische vergadering sleepen? Sedert wanneer heb je zin in zulke dingen?

Edmond kreeg glimlachend een aschbakje van de commode.

— Bedaar! Het is een mop zonder weerga. Herinner je je den dikken Alsen?

In mijn herinnering dook het beeld op van een kortbeenig kereltje met totaal kleurloozen knevel en met de rose gelaatstint van een zindelijk gewasschen speenvarkentje, wiens voornaamste eigenschap zijn dikte was. Hij was de eenige zoon van een onlangs overleden, zeer welgestelden generaal; hij was eerst luitenant geweest, maar reeds na een paar jaar had hij, uit steeds grooter wordende gemakzucht, zijn ontslag gevraagd. Nu deed hij aan alle mogelijke sport, naar ik meende ook aan schrijven. Voor het overige was hij een welgemoed, heel onschuldig menschenkind, dat tot Edmonds vriendenkring behoorde en niet zóózeer door standsvooroordeel beheerscht werd dat hij dadelijk na het ongeluk der familie Thaler met hem gebroken had, gelijk zooveel anderen. Daarom schatte Edmond hem zeer hoog en verkeerde nog altijd zeer gaarne bij hem aan huis, hoewel dit hem reeds meermalen onaangenaamheden berokkend had. Want de eigenlijke vriendenkring van Fedor von Alsen zag natuurlijk minachtend op een koopman neer.

— Nu, Fedor heeft me uitgenoodigd om hedenavond om half zeven een daad van eigen-rechter-zijn bij te wonen, en zoo mogelijk nog een onpartijdigen toeschouwer mee te brengen. De zaak is deze: De oude generaalsvrouw was reeds tijdens het leven van haar man driekwart gek. Maar 't bleef altijd toch nog binnen behoorlijke grenzen. Doch nu heeft ze voor kort een terrein gevonden, dat zelfs haar eigen zoon bedenkelijk begint te vinden. Ze heeft ergens een

Sluiten