Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij nu met zijn roode wangen en zijn stroo-gele lokjes voor als het normale type van de vroolijke nul, gelijk onze moderne maatschappij die opfokt onder haar hoogste kringen, naast het gelijksoortige type van de trieste, femelende, kwezelachtige nul. Naar hetgeen ik van haar wist, kon ik me gemakkelijk voorstellen, wat er achter dit smalle perkamenten voorhoofd en onder die dommelige kantmuts kon liggen aan herinneringen en ervaringen uit een leven van volmaakte onbeduidendheid. Een leven, waarin behalve een beetje trots en een beetje zedelijkheidsschijn van de minste soort, eigenlijk nooit iets levendigs geweest was, dan een rustelooze drang naar bezigheid zonder eenig doel, doch die zorgvuldig alle verstandige dingen vermeden had en zich onophoudelijk afgesleten en versnipperd had over duizend stokpaardjes: gedwongen, met zich zelf ingenomene weldadigheid, gedwongen vaderlandsliefde, gedwongen bigotterie, in één woord: heel het leege, holle gebied van het tijdverknoeien, van pluksel maken af tot het beschermvrouw-spelen over een vereeniging voor dierenbescherming toe, van het totaal waardelooze afloopen der vuile stegen der armenwijken af tot het kerkbezoek op ieder uur van den dag en van den nacht toe. Hoe dol tragi-komisch was de laatste phase, waartoe dat alles geleid had! Deze afgeleefde oude vrouw, zag er met haar scherp roofvogel profiel ook nu nog niet naar uit, alsof zij een man, dien ze bezwaarlijk uit reine liefde getrouwd kon hebben, het leven heel prettig gemaakt had. De waardige, dikke houwdegen zelf zou zich ook zeker niet om harentwil beperkt hebben in zijn grove lusten.

En nu kwam na den dood van dien ouden heer, die wellicht met een welgemeende vervloeking van de vrouwen het graf ingegaan was, dit erbarmelijke satyrspel van het geestenoproepen, van het tranen vergieten om de kunststukjes van een inhaligen goochelaar — ziedaar inderdaad een heerlijke bestaansgolf, waarvan het laatste, gekromde schuimvlokje daar op dien stoel zat en de kinnebakken zóó mummelend bewoog, als wilde ze, vóór de deur gesloten werd, nog duizend kostelijke orakels verkondigen. Nauwelijks hadden haar bevende beentjes een rustplaats gevonden, of de graaf, die op haar toe was gegaan om haar te begroeten, was reeds ingesponnen in haar taaie woordennet, wij anderen kregen alleen maar een strengen blik door het lorgnet.

— Ken je den graaf al langer? vroeg Edmond halfluid aan Fedor, toen deze weer bij ons kwam en wij drieën een

3

Sluiten