Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

poos lang als lijdelijke toeschouwers naar de scène daarginds

keken. s

— Zijn naam en zijn reputatie waren me al lieel lang bekend. Nu, zijn reputatie... maar daarover later wel eens* Persoonlijk ken ik hem eerst sinds veertien dagen. Ik heb hem ontmoet op een der séances bij mijn moeder. Hij komt alle jubeljaren ééns in de stad en leeft voor de rest buiten in zijn Wendische wildernis in het Spreewoud, naar de sage wil met een fameuze gravin van de linkerhand...

Gebel brak ons gesprek af.

Een luitenant — «Von Klinger — zeer aangenaam* — en een verrukkelijk gansje in lichtblauwe zijde — een bruidspaar — zij een verre bloedverwant van de Von Alsens.

— Dat zijn de rechten, fluisterde ik Edmond toe, die kunnen goed worden in de donkere zitting!

— Men zegt dat verliefde paren de steunpilaren van het spiritisme zijn, antwoordde deze glimlachend.

Fedor joegen die twee luitjes in weerwil hunner blijkbare onschuld reeds dadelijk een schrik op het lijf. Ze toonden namelijk een duidelijke voorkeur voor dat verborgen hoekje bij onze gewichtige portière en voor de heele kritieke omgeving der beide deurvleugels en dit duurde totdat Fedor, toen de nood het hoogst was, al de lichten van de kroon in de donkere kamer daarnaast liet aansteken en zoodoende op het stoeiplekje een verblindend licht wierp.

Een kwartieruurs verliep — het was half negen. Wat er van onze afspraak met Thérèse moest komen, mocht de hemel weten. Maar wij zaten in het bootie en moesten meevaren. Daar werd weer gebeld. Mister"Thomas. Nu waren we voltallig. De heksenmeester kwam heel zacht binnen met ietwat gebogen hoofd, wat hem kleiner deed lijken dan hij was. Hij was anders geen ongunstige verschijning, ietwat grof gebouwd, de spieren van het gezicht scherp geteekend, de waterblauwe oogen wijd open en zoo trouwhartig kijkend als een kind; zijn heele optreden was schuchter, hij leek eer links dan zelfbewust. Men had kunnen meenen een van die voortreffelijke Duitsche kathederfiguren voor zich te zien, bij wie ook vaak een naïeve, angstig voor al het ruwe uit den weg gaande geest woont in een Herculesgestalte, zonder dat zij zich daarvan recht goed bewust zijn. Eerst begroette hij alleronderdanigst beleefd hare excellentie, die harerzijds hem een welwillendheid betoonde, waarop geen onzer, zelfs de Spreewoudgraaf niet, zich had kunnen beroemen. Toen kwamen Edmond en ik aan de beurt; wij

Sluiten