Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

immers handen, dat hadden we eerder al vastgesteld; soms zelfs handen met mouwen en manchetten eraan.

— Wilt u als-'t—u-blieft verder spelen, luitenant ? vermaande de generaalsweduwe.

De plooien gaan nu zoo ongeveer op manshoogte uit elkaar, maar slechts weinig. Een onduidelijk ding verschijnt, van boven als een witte nachtmuts, van onderen als een wazig zeer vaal gezicht.

Ik geloof dat het mijn oude oom is, de overleden majoor Von Heidekuhl, zegt naast mij het hooge stemmetje van t blauwe salongansje, 't Komt mij voor, dat het evengoed haar tante zijn kan, want het gezicht heeft heelemaal geen vorm. Ik zou me willen laten hangen, als 't niet een gewoon tullen masker was, zooals er, in mijn Rijnlandsche geboorteplaats, bij een bepaald karnavalskostuum gedraeen plesen te worden. 5 F °

Het spook verdwijnt weer.

— Juffrouw, geef mij het fleschje — zegt bevend de generaalsvrouw — ik ben vreeselijk in de war, ik voel dat de geest van mijn zaligen Frans nadert.

Ik moest aan de eau-de-cologneflesch en Fedors woorden denken. Het beloofde mooi te worden.

Maar de zalige Frans liet nog op zich wachten. Een bijna geheel zichtbare gestalte, eerst beneden de knieën door de plooien verborgen, trad uit de opening der portière. Het scheen ditmaal een meisje te zijn, in geheel wit, luchtig om haar heen gewikkeld gewaad. Aan den matten glans, dien de gouden lijsten aan de deurposten en de gepolijste marmeren platen merkbaar weerkaatsten, was het te zien, dat van dit gewaad een zwak, eigen licht uitging. Het gezicht was weer zeer wazig en bleek, maar daarentegen kwam de arm goed uit, die geheel van menschelijke, bekende vorm en kleur was.

Een ruischen — en toen was ook alles reeds weder verdwenen. Nog eenmaal kraakte de verraderlijke plaat storend luid, dan doodelijke stilte. De generaalsweduwe vroee om een beetje water.

Fedor verhief zich dienstvaardig en maakte van de gelegenheid gebruik, om tegelijk de wasplaatjes aan het koordlos te maken. Een langer aarzelen had inderdaad geen doel gehad, de eerstkomende geest moest er nu maar aan gelooven, wie het dan ook zijn mocht.

En daar - . . de waterkaraf rinkelde nog tegen het glas — daar stond hij ook reeds, indrukwekkend groot voor ons, plotseling, als uit den grond gerezen.

Sluiten