Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kracht op den parketvloer slingert. Bijna gelijktijdig verneem ik een lichten knal, een vuurstraal schiet omhoog en ik ben met mijn gansche omgeving gehuld in een dichten, kwalijkriekenden walm.

Niet in staat, in 't eerste oogenblik iets om mij heen te herkennen, krijg ik — waarschijnlijk van het medium zelf — een stoot tegen de borst, tuimel een paar schreden achteruit, struikel over een opgillenden muur van krakende zijde en bevind mij 't volgend oogenblik in zittende houding op den grond; naast mij ligt een bewustelooze

dame de generaalsweduwe. De rook had ondertusschen

in ontzettend opwalmende wolken de gansche kamer verduisterd; men hoorde niezen, proesten. Stemmen roepen: ♦ Brand! Venster open!» ik versta ook het woord «stinkbom» en begrijp, wat de schurk in zijn angst eigenlijk uitgericht heeft... Een uit het gezelschap heeft ondertusschen gelukkig een venster, een ander een zijdeur gevonden en geopend, voor de binnenstroomende tocht warrelt de zwarte dampwolk iets uiteen en vertoont radeloos-omrennende, wazige gestalten, omvergeworpen stoelen, de kaars is omgevallen en uitgedoofd, slechts een onbestemd schijnsel van de helle straat dringt als grauwe schemer naar binnen. In de volgende seconde echter wordt alles door nieuw, gloeiend rood licht beschenen: een vonk had de portière aangestoken, de tocht wakkerde de vlam aan, een verblindende vuurstreep vrat gretig omhoog in het Perzisch behang, men hoorde het kraken van de deurlijsten, die barsten van hitte

Fedor roept uit het raam om hulp. Iemand werpt de waterkaraf rakelings langs mijn hoofd in de vlammen. Het water plast op de vlammen, de scherven springen tot dicht bij me terug. Opnieuw warrelt een rookwalm, nog verstikkender dan daareven, van de verzengde tapijten om ons heen. Ik beproef ondertusschen om de onmachtige oude dame, wier begeleidster verdwenen was, op te helpen. Plotseling zie ik den graaf naast me staan, die rustig zegt: — Neemt u haar van boven, ik neem haar bij de voeten — het plafond gaat branden — er helpt geen blusschen meer aan — o, die schoft, die aartsschoft! Terwijl hij nog meer voor zich heen mompelt, heffen we de hulpelooze gestalte aan de schouders en de voeten op en bereiken gelukkig, dwars door de barricade van omvergeworpen stoelen, rondtastend in den rook en half bedwelmd, den uitgang.

Eenige oogenblikken lag haar excellentie half ontkleed op Fedors bed, de gezelschapsdame was ook terecht gekomen,

Sluiten