Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de graaf vervulde met zaakkennis de functie van den dokter, om wien men reeds gezonden had en om de heele groep verspreidde zich een scherpe geur van azijn en eau-de-cologne.

Buiten belde de brandweer, maar verder bemerkte men hier, een paar kamers van den brand verwijderd, niets van het gevaar. Ik zelf stond voor Fedors waschtafel en wiesch me het roet uit de oogen. Nadat ik een paar maal hartelijk uitgemest en uitgehoest had, gevoelde ik me weer in't volle bezit van mijn geestelijke vermogens.

Drommels, wat 'n onzin was dat geweest.

Ik deed de deur open en keek naar buiten. Brandweermannen sleepten een slang over het tapijt, maar tegelijk riep reeds een andere stem in de kamer er naast: «'t Is al uit!» Ik zag niemand van de bekenden. Maar de graaf kwam nu achter me en legde de hand op mijn schouder.

— Ik heb onze hoeden gevonden, heer doctor, en ik vind het verstandigste nu maar weg te gaan. De comedie is nu uit, wat zullen we hier langer blijven?

Ik keek op mijn horloge.

Het was bijna twaalf uur. Aan Thereesjes Mei-bowl viel niet meer te denken. Ik had gaarne Edmond nog even gesproken, doch waar hem te vinden in die verwarring? Het gedeelte van het huis, dat gevaar geloopen had, was versperd, mogelijk was m'n vriend al beneden en wachtte ons op straat. Ten overvloede trad juist op dit oogenblik de arts binnen, we waren hier werkelijk overbodig. Na een minuut van aarzelen, zei ik: — U heeft gelijk, heer graaf, laten we gaan.

— Laten we voor den schrik nog een kop koffie gaan drinken bij Bauer.

— In Godsnaam!

Het was me nu onverschillig wat we gingen doen, ik had de feestelijke avond bij Thérèse nu toch misgeloopen. Terwijl we de trap afgingen, gevoelde ik iets als wrok tegen Edmond. Wat had hij me ook in die idiotentroep te brengen! Ook de trekken van mijn begeleider stonden zeer ernstig.

— Hè, dat hebben we gehad! zeide hij, toen we na vergeefs uitgekeken te hebben naar Edmond, den dichten, onbeweeglijken menschenmuur voor de straatdeur doorgebroken en het tegenoverliggende, stillere trottoir van de Potsdammerstraat bereikt hadden.

— Ja, Goddank! beaamde ik, diep-ademhalend, dat hebben we gehad! Éénmaal, en nooit weer!

Sluiten