Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boomtoppen, zóó verblindend wit als voedde haar dezelfde krachtbron als de sneeuwwitte, schitterende kogels der electrische lantarens, waarop ze neer zag.

Een oogenblik stonden we stil, verblind door de eeuwig jonge bekoring van deze zonnewereld, voor welke er geen nacht bestaat met duisternis en stilte. Ik voelde, dat de nachtmerrie van de augurenrol, die we tegen wil en dank hadden moeten spelen in den beschamenden onzin, dien we samen meegemaakt hadden, van ons week. En terwijl mijn ziel plots opleefde, zich weder één voelde met de echte, de opwaarts strevende wereld van onze eeuw, kwam de vraag mij op de lippen: — Is dit niet een verrukkelijk gezicht, heer graaf? Het gezicht van een onvergelijkelijk hoogtepunt? '

Dat was niet meer precies dezelfde stemming, als die van het tobbende middaguur, toen ik daar ver weg in Moabit was, maar ik had ondertusschen ook zoo duidelijk het contrast gevoeld, dat voortkwam uit een schrede achterwaarts.

De graaf zag mij glimlachend aan, en terwijl hij zijn arm bij het opwandelen vertrouwelijk op de mijne les[de antwoordde hij na een kort zwijgen:

— U is dus ook zoo'n dweeper met het levende, heer doctor?

Mij dunkt, men is dankbaar voor ieder vonkje licht, wanneer men uit de catacombe opstijgt. En deze vonken zijn toch al heel aardig, dunkt me.

— En u houdt die catacombe dus voor heel en al dood. niet waar?

— Wel, natuurlijk! wat meent u dan?

— Ik bedoel, ging hij langzaam voort, dat gij, geachte doctor, nu, naar alle waarschijnlijkheid, u in huis aan de schrijftafel zetten zult, om — wel, om over het spiritisme een beslissend oordeel uit te spreken, waarbij deze mijnheer T homas als model voor allen moet dienen, ue zult dat doen in de beste overtuiging, en toch zal het een hemeltergende zonde zijn, juist tegen datgene, wat gij zoo hoog houdt, namelijk tegen den geest van onzen tijd : tegen den grooten stroom van waarheid onzer eeuw.

Pm* 'aa^e kwam zoo plotseling, dat ik hem niet zoo dadelijk begreep. Ik staarde den spreker een oogenblik aan, zooals men in de Kamer een partijgenoot aanziet, die plotseling zijn eigen partij verwijten gaat maken.

— Ge zijt verbaasd, nietwaar, en toch heb ik gelijk. Laat ons eens zien: ge hebt in dezen Thomas een man leeren

Sluiten