Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat, wanneer hij het werkelijk prettig vond mij zijn spiritisme te verklaren, ik daar ook niets meer tegen had.

— Bekeeren zult u me niet, maar ik ben nu nieuwsgierig om ten minste de psychologische oplossing te krijgen van het raadsel, dat er voor mij ligt in uw zonderlinge voorliefde.

— Van bekeeren is heelemaal geen sprake. Maar ik wil u wat anders voorslaan, zei hij plotseling op levendigen toon; hoe zoudt u het vinden, als we eens heelemaal niet naar café Bauer gingen?

— Doch?

— Het is voor mij heden een eigenaardige datum. . . .

— Misschien óók uw verjaardag?

— Neen. De uwe wel? Gefeliciteerd. Hoe oud?

— Dertig.

— Dertig — dan ben ik u al tien jaar voor. Neen, mijn verjaardag is in Februari. Maar ik vier heden een herinneringsdag, een soort geestelijke verjaardag, die mij heiliger is dan de echte. Weet ge wat ik u wilde voorslaan? Nachtvogels zijn we nu toch, en wat is er in deze dolle wereld ook eigenlijk aan nacht of dag gelegen? Wanneer ge echter niet bang voor een eenigszins lange wandeling zijt, kom clan nog een uurtje met mij mee naar mijn appartement bij het Friedrichspark. Er ligt zulk een zoete betoovering in dezen lentenacht. De vlierstruiken uit het park zullen door ons venster naar binnen geuren. En dan blijven we bij een glas wijn nog een uurtje praten. Wie weet wanneer we elkaar weer ontmoeten. Ik moet morgenochtend met den eersten trein weer naar mijn landgoed. Te Berlijn ben ik nooit langer dan een paar uur. Er schuilt trouwens ook een goede dosis egoïsme achter, dat ik u zoo meesleep. Slapen zal ik in die weinige uren, die er nog van den nacht over zijn, toch niet meer en eenzaam te zitten wroeten in zijn herinneringen is op zulke gedenkdagen uit een mensch z'n leven toch ook het rechte niet, wat men zou willen; kom dus mee, laten wij oude jongens nog eens studenten zijn, die tusschen het sluitingsuur van de kroeg en het begin der colleges in plaats van te slapen een partij skat spelen. We zullen een geestelijke partij skat spelen, goed?

Het was helder en leeg in de Friedrichstraat; voor ons uit wandelde eenzaam een meisje, dat heden vergeefs op de menschenjacht geweest was. In de lucht was zachte windbeweging: het ademhalen der stille reuzenstad, die nooit geheel slaapt. De rook vanuit de schoorsteenen en het stof van de straten worstelden met den bedwelmenden geur

Sluiten