Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den lentenacht, den adem der bloeiende heesters en van het jonge groen, welke zich iederen nacht in groote, verfrisschende golven van drie zijden af over de sombere huizenzee stort: uit het Friedrichspark, uit het Humboldtpark en uit de Diergaarde — onmachtig tegen de heele wolken slechtere lucht, welke de dag en de avond opwaarts gestuurd hebben, maar toch verfrissend, verzachtend, reinigend waar ze komen: een eeuwige strijd der natuur tegen het werk der inenschen en wel tot het bestwil van die menschen zelf in deze onmetelijke steenwoestijn, die nu na den verpletterenden arbeid des daags in een afmattenden sluimer lag.

Ieder spoor van moeheid was uit mijn geest verdwenen, de wandeling en zelfs het gesprek ook hadden opeens iets aantrekkelijks voor me.

— U is een gevaarlijke verleider, zeide ik, terwijl we reeds zonder verder erover te praten ons doel, café-Bauer, opgegeven hadden en een zijstraat ingeslagen waren, maar ik moet wel door den zuren appel heenbijten en meegaan, anders zoudt ge denken, dat ik bang was voor uw spoken.

Het was inderdaad een flinke wandeling van de Friedrichsstraat tot aan het noordelijk deel der Friedensstraat ver in het noordoosten der stad. Zoolang wij liepen, bleef ons gesprek mijlen ver van ons bedenkelijke hoofdthema. Ik ging door op de opmerking, die de graaf te voren gemaakt had over zijn vertrek. Zoo kwamen wij op zijn bezitting in het Spreewoud. Den naam van de plaats, in welker nabijheid het grafelijk landgoed lag, had ik te voren nooit gehoord. Van het heele Spreewoud wist ik niets, dan dat een mijner beste vrienden en kollega's het onlangs bereisd en in de meest verschillende bladen ten nutte zijner beurs en, zoo wil ik als milddenkend mensch veronderstellen, bovendien ook uit oprechte bewondering, aangeprezen had als een verrukkelijk hoekje van de wereld. Spoken, minnen en heel veel water: zoo iets zweefde me nog als vage herinnering in het hoofd om. Mijn Spreewoudgraaf scheen in zooverre hier uitstekend bij te passen, dat hij zich niét spoken bezighield, een voor vrouwen ongetwijfeld nog zeer begeerlijke, knappe man was en er een leer op nahield, die op bedenkelijke wijze in 't water moest vallen. Een der artikelen van mijn blonden schrijfkameraad was den graaf trouwens bekend, hij verbeterde er een paar kleinigheden in, en zoo kregen we het over litteratuur-kwesties in het algemeen. Ik vond dat hij een juist oordeel had en een vrijheid van denken, die mij verraste. Bovendien zag

Sluiten