is toegevoegd aan uw favorieten.

De godin van het licht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrinken, die ik anders alleen geledigd zou hebben. Ge zult me niet voor een slemper aanzien, dat ik me in den laten avond nog laat opwachten met een apparaat als dit. Er is een tijd geweest — en die is nog niet zoo lang geleden, dat we toen al geen goede vrienden hadden kunnen zijn — er is een tijd geweest, dat ik de tegenovergestelde manie had en vijf trappen hoog tusschen kale muren op een stroomatras placht te slapen, een tijd, waarin ik den Rüdesheimer haatte als een geloovige den Booze en in ontzegging van alle levensvreugde van deze soort mijn geluk meende te vinden. Het was een manie en ze is dood, gelijk zooveel dood is, wat ik in het leven gedaan, gehoopt en nagestreefd heb. Ik weet nu, dat ik sterk genoeg ben om een asceet te zijn voor de zoete bijzaken der wereld, maar het lust me niet meer. Ik rook weer de merken, die met m'n stand overeenkomen, en als ik droomen wil, vocht ik het rad der gedachten zonder gewetenswroeging in met wat goeden wijn. Ik ben tegenwoordig weer de graaf, niet parceque, maar quoique.

De gezonde kleur van zijn gelaat lichtte, toen hij aan het slot van zijn zin een sigaar opstak, in den gloed van den brandenden lucifer op in zoo krachtigen bronstoon, waarop de spieren van het voorhoofd zich zóó flink afteekenden ;

— de hand die den lucifer hield, was zoo stevig, zoo ongelijk aan de wassen, spitsvingerige hand van een aristocraat, dat men niet kon twijfelen aan wat hij zeide, hoe vreemd het ook klonk. Met een fijn glimlachje keek hij toen naar mij en ging voort, terwijl zijn rechterhand speelde met het metalen lijstje van het eene portret op de tafel:

— U begrijpt dat niet! U ziet in mij een man van de wereld, die tegenover u bluft op zijn ascese van 't jaar zóóveel, evenals hij u daareven overbluft heeft door zijn gril zich spiritist te noemen. Uw sigaar is aan — doe de flesch open, Karei, en zet de andere in het ijs; we hebben je niet meer noodig, je kunt nog een paar uur gaan slapen.

— Zoo, waarde vriend, prosit! op uw dertig jaren en op de gezondheid der goede spotgeesten, die ons heden te samen gebracht hebben. Al hun nonsens zij hun meester en zijn toehoorders vergeven uit dank dat wij hier nu recht behagelijk bij elkaar zitten. In dit kastje ligt mijn dagboek. Het zou het trieste gezelschap van een eenzamen mijmeraar geweest zijn, waart gij niet gekomen; nu mag het rusten blijven en ik wil u liever wat vertellen. Iets van de Odyssee van een modern menschenkind, dat tien jaar langer aan