Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinige, het feitelijk toch reeds wegslinkende weinige, wat er van de kinderdroomen van den dogmatischen godsdienst nog leeft in het hart des volks, eens en voorgoed op; wel reten zij onbarmhartig de laatste flarden weg van het gezag bij Gods genade — maar wat gaven zij ervoor in de plaats? Reeds leefde hoog bovenaan bij de eerste, meest geziene vertegenwoordigers der wetenschap, die natuurlijk ook het eerst de uiterste konsekwentie konden trekken, het bange vermoeden dat de wereld van den natuurvorscher geen verzoenenden troost bood, die den enkeling zou vermogen op te richten in zijne ellende. Daar scheen het heelal een almachtig rad zonder zichtbaar doel. Het vreeselijke toeval greep onbarmhartig in het leven van wie strijden op aarde. De enkeling was een vlammetje, dat doelloos — doelloos althans voor zijn eigen voelen en weten — uitflikkerde. De troost van een God, die het onrecht straft, verdween met de stelling: alles is verschijningsvorm der natuur, het goede zoowel als het kwade, niets staat hoog, niets laag. De troostende gedachte van een toekomstig leven, na dezen vertwijfelden strijd om het bestaan, stortte gansch en al, reddeloos in een. En zelfs het toekomstige geluk van de gansche, eenmaal bevrijde menschheid verscheen in het allerscherpste licht toch ook nog maar als een nietige, even onbeteekenende periode, want er moest rekening gehouden worden met den dag dat deze aardbol ineen zou storten, dat er heel geen menschheid meer zou zijn, nadat ongetwijfeld de laatste generaties strijdende tegen de physieke overmacht van het heelal, in weerwil van alle sociale overwinningen toch weer aan hun eigen haard in jammer en nu ook in voor goed hopeloos worstelen haar leven geëindigd zouden hebben. Heden, zeide ik tot mij zelf, heden waren er nog millioenen, die alleen om hun bestaan streden,voor wie de geest alleen maar een middel was om hun historisch juk, om een schreeuwende onrechtvaardigheid in de zedelijke grondslagen van de voortbrenging te vernietigen. Maar wanneer eenmaal deze rol van den geest geëindigd was, wanneer al deze millioenen te eten hadden en nu den tijd hadden om zich heel de konsekwentie eigen te maken, die nu alleen nog maar deze en gene hoogstaande mensch reeds kon trekken, omdat hij toevallig reeds brood had en zijn geest vrij kon laten gaan, niet als middel, maar om zich zelfswille: — zou er dan voor die millioenen daardoor niet een nieuwe, nu nog niet vermoede oorzaak van nieuwe niet te stillen pijn neergedaald zijn? De pijn, zich midden van al wat men zelf gewonnen had,

Sluiten