Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van al die schijnbare vrijheid, weer te moeten buigen onder een eeuwig wereldjuk, onder een rad, dat naar niets vroeg, op niets antwoordde, dat zwijgend verpletterde, en aan de smart van het verpletteren nog die andere, ergere smart toevoegde, te moeten vragen: waarom is het toeval niet te berekenen, waarom worden wij onschuldig verpletterd? Ik zelf had den smartkreet van het beste, onschuldigste, edelste wezen gillend in mijn ooren hooren klinken, toen het naakte, ellendige toeval het onder de ijzeren wielen van een locomotief wierp. En in de slapelooze nachten van een heel lang jaar hoorde ik onophoudelijk dezen kreet. Opnieuw greep me ook hier het oneindige medelijden aan; voor me zelf worstelde ik in dit sombere schaduwuur om troost en ik voelde het, voelde het tot in het diepst mijner ziel: deze noodkreet van het ongelukkige schepsel was nog een andere als die, welke tot zwijgen gebracht zal worden door het toekomstbeeld van een socialistisch hervormde wereld. Het was een noodkreet tot de sterren, tot het mechanisme der natuur, een niet gestilde aanklacht juist tegen dat, wat de wetenschap als vrucht van al haar arbeid te voorschijn gebracht had. lederen helderen zonnigen ochtend, die voor mij oplichtte na zulk een nacht, vestigde zich de gedachte dieper in mijn ziel: hier ligt een probleem, nog ernstiger dan alle sociale problemen. En al berusten ook alle socialistische verwachtingen op zuivere waarheid; zelfs aan die komende, materieel gelukkige geslachten zal geen definitieve troost ten deel vallen, als er geen verlossing komt van het gruwzame beeld eener ziellooze natuur, die de rechtvaardigen zoowel als de ongerechten verplettert of verheft in volkomen willekeur — het geslacht, dat wi] zaaien, het geslacht, waarvan een ieder zonder onderscheid voedsel om te eten en lucht om te ademen heeft, dat geslacht zal zonder deze andere verlossing in waarheid nog ellendiger zijn dan alle andere vóór hen — omdat het méér weet — boven de verzadigde maag zal een hongerende geest vol heimwee zich opheffen, rusteloos en vreugdeloos — de wereld, waarvan we droomen, zal ook weer een folterkamer zijn, zooals de onze is.

Steeds matter brandden de kaarsen der kroonluchters in den steeds dichteren blauwen rook der sigaren. Ik zat met het hoofd op de hand: evenmin als de verteller zelf gaf ik nog acht op tijd of persoon. In den geestesstrijd der eeuw zag ik de afzonderlijke gestalte van dien man zich losworstelen aan den algemeenen stroom. Was het werkelijk iemand anders dan ik zelf, was ik het niet zelf,

Sluiten