Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van wien hij verhaalde? Ook daar die krisis van gelatenheid, de ommekeer van een vertwijfelend gemoed. Maar de vreemde was verder gegaan dan ik zelf. Ik zou nog wat nieuws, wat onverwachts, een de mijne ver overtreffende ontwikkelingsphase vernemen. En dat scheidde dan toch onze wegen. Ik geloofde niet, dat er nog iets verder kon gaan. En toch wilde ik weten, wat het geweest kon zijn. Ik zocht geen tegenwerpingen te maken, ik luisterde alleen maar.

— Dat was tegen het einde van het zesde jaar. Ik had nog steeds krachtig de teugels van de socialistische beweging om mij heen in de hand. Maar ik was niet meer de gelukkige hemelbestormer, die ik geweest was; ik was een twijfelaar geworden. En de twijfel is een wilde macht, hij verandert spoedig alles in het uiterlijke van onze omgeving, wit wordt zwart, de naaste, dien we vertrouwd hebben, krijgt op eenmaal iets bevreemdends in zijn gelaat. Ik wist nu, dat de vervulling der sociale wenschen van onzen tijd geen troost geven zou, dat ze ook in de toekomst geen absoluten troost kan belooven. Daardoor verglom in mij de betoovering, ten slotte ook het geloof in de vervulling. Ik zag op eenmaal scherper. Ik zag, dat het blinde, ondoorgrondelijke toeval in de wereld der verschijnselen niet alleen een nieuw conflict inhield, maar dat het ook zelfs den opbouw van dat eenvoudiger pogen in den grond benadeelde. Wat de arme, geknechte nastreefde, noemden we een recht. In de natuur, zooals die onthuld werd door de leer der kennis, was er geen zedelijk recht. Daar was alleen maar het recht van den sterkste. Ik begon te begrijpen, dat een sociale revolutie wel de bestaande geld- en machtsverhoudingen zou kunnen omkeeren, maar de algenieene natuurwet niet op zijde kon schuiven. De lichtzinnige stelling, die ik, zoolang ik een beginseltrouw, in zekeren zin moreel socialist was, steeds bestreden had. als het toppunt van verkeerdheid en onzedelijkheid, de stelling: Wanneer dan toch één de sterkere moet zijn, die den ander uitbuit, waarom dan voor de afwisseling niet de tot dusver verdrukten en gekwelden? kwam nu voor mij in een nieuw licht. Ik zag in, dat we wel de bestaande kapitaalsverhoudingen en arbeidsongelijkheid op zijde konden schuiven, maar nooit de aangeboren ongelijkheid aan phosphorgehalte in onze hersenen. Dat we de vrouw wel alle rechten van den man konden schenken, maar de verscheidenheid der physieke funkties niet kunnen wegcijferen. Dat we aan de heele aardsche loterij in het menschelijk lot een einde kunnen

Sluiten