Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken, maar nooit het zinlooze nieten en prijzen werpen der natuur schorsen kunnen. Ik wist wel, dat het socialisme in de theorie, zooals het door de grootste, verhevenste geesten uitgewerkt is, met al deze punten wel degelijk rekening gehouden had. Maar de antwoorden van al die menschen afzonderlijk bevredigden me niet meer zooals vroeger. Ik geloofde niet meer zoo onvoorwaardelijk aan de mooie stelling, dat de mensch in de praktijk kan, wat hij in de theorie wil, sinds het feit mij voor oogen stond, dat wij in de theorie onophoudelijk willen, dat de natuurorde moreel te werk zou gaan en dat deze natuurorde in weerwil daarvan gerechten en ongerechten in denzelfden dobbelbeker sluit en al naar het toeval wil nu eens dezen, dan genen pijnigt of verheugt. In het leven zelf der partij, waartoe ik behoorde, gingen me met de jaren steeds meer de oogen open. Niet dat ik ooit de zuiverheid van het algemeene streven betwijfeld zou hebben. Maar ik zag de ontzettende rol, die de eerzucht ook in deze omgeving speelde en spelen moest. Ik bemerkte aan me zelf en aan mijn vrienden, hoe deze eerzucht het meerendeel van wat we opbouwden, weer te niet deed. Ik begon te gelooven, dat alleen een kongres van heiligen weer ernstig orde zoude kunnen brengen in deze wanorde en we hadden slechts menschen onder ons, menschen, die wellicht ten opzichte van hunsgelijken de élite waren van de besten, maar die, juist omdat de normale mensch geen heilige is, doch hartstochten heeft, iederen dag evenveel scha als nut deden. Het is mogelijk, dat bij mij nog een goed deel strijdensmoeheid daarbij kwam, maar het spel wilde me niet meer bevallen. Het gaf toch geen oplossing voor mijn diepste vragen, mijn medelijden met de levenden was nu eer grooter dan tevoren, en ik waagde het niet meer hen vol te proppen met toekomstdroomen. Geloof me, deze laatste tijd der neerdalende periode was voor mij een droeve, bittere tijd. De ontgoochelingen, die mij naar buiten ten deel vielen, deden mij den wilden haat, die den meer en meer afvallige ten dee^ viel, licht verdragen; mijn gemoed was trouwens hard geworden na den dood van mijn vrouw; wanneer gebrek aan eerzucht alléén iemand tot een heilige kon maken, dan was ik daar toen meer dan rijp voor.

Wat me echter oneindig erger in de ziel brandde, dat was mijn eigen leer, het bankroet van iedere troostvolle gedachte, de afschuw voor het leven, zoowel als voor den dood. Het medelijden met de menschheid was nu mede-

Sluiten