Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelde aan een «weten» heel andere eischen dan wij. Een door weinigen verbreid gerucht was toen bij het onzegbare heimwee naar verlossing der wereld, voldoende om juist het daarvoor beslissende feit, het feit van de lichamelijke opstanding, algemeen te doen aannemen. En hier stond onze moderne wetenschap stil. Zij had met haar kritiek de bewijzen voor dit zoogenaamde feit te niet gedaan. Zij had den grooten, killen twijfel niet kunnen verbannen, dat in het onderhavige geval het verlangen dat feit eerst later, als een voor waar gehouden legende, geschapen zou kunnen hebben. Bijna twintig eeuwen waren sinds vervlogen. Over den tijd, waarin de Gekruisigde leefde, dien raadselachtigen mensch, die opgestaan zou zijn, had zich een dichte nevel geschoven. Niets van al de wonderen uit die dagen had zich ooit ergens herhaald. Deze grootste aller daden, die het heelal uit zijn verband wilde rukken, was voor ons nog veel minder met bewijzen gestaafd, dan de bloedige daden van een of anderen Egyptischen of Aziatischen despoot, die nog een tiental eeuwen vroeger geleefd had. Hier was voor ons geen levende bron meer, waaruit echte troost kon opborrelen. Evenals de leer van een liefhebbend Vader als metaphysische theorie, zoo was ook de leer van den opgestanen Zoon als historisch feit dood, onherroepelijk dood. Ik zag wel, dat wanneer het de volle waarheid was in den zin, dien ik door mijn strijden mij verworven had, er een troost in gelegen zou hebben. Maar ik was de laatste, die het tegen de wetenschappelijke, historische kritiek van onzen tijd zou hebben opgenomen.

En toch — ik ben niet geheel en al met leege handen uit deze studiën teruggekomen. Zonder dat ik het wist, kiemde er in mijn binnenste iets op, dat spoedig, onder onverwachten, wonderen zonneschijn, sterk en groot zou worden, zou groeien en bloeien. Door de leege, grauwe woestijn van mijn verlaten ziel gleed een lichte, verfrisschende adem, een gedachte werd levend, een laatste twijfel, maar die tegelijk ook iets positiefs bevatte cn die mij ten slotte toch tot de overwinning, tot de zege geleid heeft.

De graaf goot het restje wijn in onze glazen. In het rosse licht der gasvlammen en den blauwen nevel van onze sigaren scheen zich, toen ik opkeek, een vaag, vreemd licht te mengen, de witte gordijnen zagen als groote, vale oogen in het salon. Een eerste morgendroom rekte haar bleeke, spookachtige vingers door de kamer.

— Het laatste dier vijf afdalende jaren was nu ook om.

Sluiten