Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerschen van de wetenschap, dat het bezonken extract was van wat ik overdag in mijn boeken gevonden had. De plaats, waarop ze doelde, lag in de psychologie. Ze betrof de diepste kern van het zieleleven. Hier waren nog raadselen van fundamenteelen aard. Geen eerlijk vorscher verzweeg ze, vanaf den katheder der beste, stoutmoedigste en meest onbevooroordeelde hunner klonk de meest onomwondene bekentenis daarvan. En het vermoeden drong zich onafwijsbaar op, dat een oplossing op deze plaats, een oplossing van de diepzinnigste aller vragen: wat is het leven, wat is de dood, is er een leven na den dood? in waarheid de groote daad zou kunnen zijn, waarbij de kommer der menschheid, de smarten der enkelingen, die geen socialen toekomstdroom, geen algemeen geluk zou kunnen verbannen, heel de ellende van het leven op aarde, troost zouden kunnen vinden, — denzelfden troost, dien éénmaal die zelfopofferende jongeren van den grooten psycholoog van Nazareth bezeten hadden — den troost, het leven te kunnen opvatten als een droom, waaarop een gelukkiger ontwaken volgde.

Nu begon mijn geest rusteloos alle verschijnselen te onderzoeken, die sinds de oudste tijden als dwaallichtjes van weten door de duisternis trilden: de problemen van het droomen, van de narcose, van den kunstmatig opgewekten hypnotischen toestand, en de verdere, nog meer bestredene en nog meer geheimzinnige, van de somnambulairehelderziendheid, van het ^tweede gezicht», van de telepathie tusschen hersenen en hersenen, zonder nawijsbare tusschenstof. Die alle moest ik bestudeeren, tegen mijn zin aanvankelijk en met den vasten sceptischen zin, die in 't eerst geen enkele, werkelijk geen enkele stellig bewezen daadzaak betreffende een vrije werking van de ziel buiten het natuurmechanisme kon erkennen. In dezen tijd onderzocht ik ook voor de eerste maal de waarde van het spiritisme, nadat ik het in Amerika, waar ik er eenige malen toevallig mee in aanraking kwam, eenvoudig als scherts opgenomen had. En ook hier was het aanvankelijk niets dan onzin en oplichterij wat ik te zien kreeg, niets bleef er van overeind, het was leeger dan ooit, ik voelde afkeer voor het wetenschappelijk bedrog, dat het reine streven der waarheidszoekers doorkruiste; nog eenmaal was ik er dicht aan toe, alles als hopeloozen rommel op zij te gooien en voor mezelf te erkennen: neen, ons weten is gelijk nul, we hébben geen troost, hier nog minder dan elders, de ziel neemt een

Sluiten