Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertellen meer helpt, waar men zien moet. Ik heb gezien en de sterkste twijfel heeft moeten wijken.»

Als medegesleept door het vuur zijner eigen rede, sprong de graaf bij deze laatste woorden overeind en trad naar het venster. Hij trok het gordijn weg en opende de vensterdeuren. Ik zat nog altoos met de hand onder het voorhoofd. Nu voelde ik den frisschen luchtstroom, die van terzijde over mijn hoofd heenstreek. De portretten op de tafel zagen mij niet meer aan, mijn blik bleef somber op den vloer rusten, waar een hoopje grijze sigarenasch op een bonte bloem van het tapijt lag. Er was ook nu aan het slot in het verhaal iets geweest, wat me, mijns ondanks, verder en verder meesleepte; en toch kwam alles in mij tegen dat slot op, ik kon het, ik kón het niet begrijpen ....

Er ontstond een lange pauze. De geur van den wijn en de sigarenrook trokken hoe langer hoe meer weg, de lucht in de kamer werd zuiver, maar niet koud — een verwarmende, zoete adem hing er, een magische tooverdamp, die op mij inwerkte, zonder dat ik opkeek en vroeg waar ze vandaan kwam.

Eindelijk zei de stem aan het venster, en ze had nu weer denzelfden schoonen, weeken klank als aan het begin van de vertelling: — Kom eens hier, lieve vriend, kom eens hier en zie dit schouwspel eens. Ik weet wat er nu in uw gedachten omgaat en ik kan uw twijfel niet verbannen. Ge meent, dat ik eenvoudig op sluwere wijze bedrogen ben ... maar kom eens hier, en zie eens ...

Ik ging naar hem toe bij het venster, hij legde zijn hand op^ mijn schouder, alsof hij me niet meer wilde laten gaan.

Nu eerst merkte ik hoe hoog dit vertrek gelegen was, verweg zwierf het oog over het landschap. Daar zweefde een schemerend morgenlicht over, een krijtachtige schemering lag op de boomen tegenover ons. Ver over de grijze massa's van het Friedrichspark glom, nog omkleed met een nevelig waas, een mat ochtendgloren. De straat beneden scheen zich naar beide zijden oneindig ver uit te strekken, zij was volkomen ledig, alleen de rails van de tram trokken twee scherpe zwarte lijnen in het witte stof. Een muur van geelachtige tegels, waartegen men later nog een donkeren wand van planken gezet had, zonk recht tegenover ons evenwijdig aan de schuine Friedensstraat in scherpe hellingen naar beneden in het dai, zware bladermassa's leunden daar van binnen tegen aan en daartusschen

Sluiten