Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ieders oog aanschouwen kan, in welks wonden de rampzalige, de vertwijfelende zijn arme handen leggen kan. Uw voorhoofd is betrokken, gij wilt niet gelooven dat zulk een daad reeds verricht zou kunnen zijn. Zooals gij daar nu staat, zoo stond ik eenmaal ook. Ik hoorde een stem, en geloofde niet. En niet alleen was er twijfel in mijn ziel, maar ook toen die twijfel week, stond ik nog huiverend voor het grootsche, wat mij ten deel ging vallen. Langen tijd vorschte ik in mijn eigen ziel en ten laatste legde ik mij als vast besluit op: vijf jaar lang zal ik geheel onbaatzuchtig op dit punt mijn onderzoekingen doen, voor dien tijd zal geen regel daarover onder de oogen der menschen komen, opdat niets, geen roem en geen spot, mij het spoor bijster make. Vier jaren zijn nu om, het vijfde breekt aan. Stille vrede is in die jaren in mijn ziel teruggekeerd, zelfs het hardste, wat eenmaal mijn leven bijna gebroken heeft, begint zacht en mild te worden in mijn herinnering. Geloof me, het is geen weefsel van drogredenen, het is de oude leer, die erin tot zijn recht komt: «De waarheid zal ulieden vrij maken!»

Liefkozend, als de geur, die van beneden tot ons oprees, vleiden die woorden zich over mijn wederstrevenden ziel. Ik gevoelde hoe groot de man was, die daar naast mij stond, ik begreep dat hier een Faust-natuur geworsteld, gestreefd en gedwaald had. Maar gedwaald had ze, dat stond bij mij nog steeds onwrikbaar vast. Het was het oude sirenenlied, wat daar klonk, het sirenenlied, waartegen wij strijders der moderne wereld ons gemoed verhard hadden met alle middelen, het sirenenlied, dat zong van troost en verlossing buiten de grenzen der wereld, van een vrije ziel en een onsterfelijk leven: maar tevergeefs, tevergeefs! wij mochten er niet naar luisteren. En toch gloeide mijn voorhoofd, ik moest strijd voeren tegen de betoovering van het verhaal, ook mijn blik hing aan die grauwe sfinx, aan dat kerkhof daar tegenover ons in de ochtendstilte, ik dacht aan de dooden, die ook mij het leven reeds ontnomen had, ik dacht aan de smart, aan de ellende, aan de tranen . . . maar dat alles, dat alles was gemoedsstemming, was zielsbeweging, het was geen wetenschap! En op eens, terwijl wij daar nog naast elkaar stonden, kwam het in mij op als de oplossing van het zielkundig raadsel in dien wonderen man daar naast me: een vrouw had hij genoemd als de oorzaak van zijn bekeering, van zijn nieuw weten, een vrouw! Zij was het, wier beeld op de tafel zoo magisch boeide met

Sluiten