Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de groote, stralende oogen — ik geloofde op eenmaal helder te zien in een echt menschelijke valstrik van het noodlot — als een glimlach ging het door mijn gedachten: wetenschap, wat is wetenschap, die van een vrouw komt! Een schoon oog bekeert tot vele dingen, maar het bekeert alleen wie liefheeft. Arme man, als gij aan de koele, kritische wereld zoudt willen voorleggen, wat uw verliefde blik gelezen heeft, arme, dwaze man!

En toch moest het geen gewone vrouw zijn, die dezen trotschen, gebiedenden geest aan zich onderworpen had — in hetzelfde oogenblik, dat ik mij met geweld losrukte van het benauwende gevoel dat, wat ik daareven gehoord had, in waarheid iets ontzaglijks was, iets heel nieuws, een werkelijke troost, die komen ging — greep mij het machtige verlangen aan, deze vrouw te leeren kennen, die demonisch en tegelijk ook echt menschelijk achter al deze wondere dingen stond. Een zuiver persoonlijke belangstelling kwam in de plaats van de geestelijke, de geesten stoven heen, gelijk de grauwe neveldampen daar ginds aan den oostelijken hemel vaneenreten, doch er bleef een wonder vreemd menschen-noodlot over en geen weg scheen mij te lang of te moeielijk om dat te doorgronden.

— Heer graaf, zeide ik eindelijk, uw vertelling heeft geen slot. In de plaats van de oplossing schuift ge een woord. Gij noemt mij den naam Lilly Jackson. Ge wijst mij het kerkhof en zegt dat het raadsel ervan opgelost is. Ik zie daarin het verband nog niet. Indien geen dwang het u belet, verklaar mij dan toch nader: wie is deze vrouw, die zich vermeet heel onze wetenschap van leven en dood om te keeren en voor wier openbaring de wereld zich zal moeten buigen, nu of later!

Hij antwoordde niet aanstonds. Zijn blik scheen peinzend in de verte te zweven.

Over het Friedrichspark gloeide langzaam, als een steeds hooger en hooger opwaaiende purperen standaard het morgenrood op. Luider, steeds meer vervuld van de vreugde des daags begon het gonzen en trillen der vogels in de struiken, het groen der bladeren lichtte op eenmaal op met zoo harden glans, alsof door een plotselingen windstoot heel de krijtachtige verflaag, die daarop lag, was weggevaagd; in den zwaren dauwgeur van het vochtige loover, in den gloeienden adem der violette bloemtrossen mengde ze zich van de straat af, waar de sterker aanzwellende ochtendwind witte wolkjes deed opkrinkelen, een eerste groet van het stof

Sluiten