Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des daags. De portières ritselden, achter ons in de kamer was de deur ongemerkt geopend; men hoorde aan den zachten tred en aan het rinkelen der glazen, dat de oude dienaar de tafel was komen afruimen. Het lichte gedruisch scheen den graaf uit zijn droomen te wekken. Hij wierp een snellen blik in de kamer, waarop een zwijgend knikje van zijn dienaar scheen te antwoorden. Tegelijk sloeg de klok met zilveren klank vijf uur.

— Welnu dan, beste vriend, zei de graaf plotseling op levendigen toon, terwijl hij mij beide handen toestak — de nacht is reeds verbabbeld, straks komt mijn rijtuig om mij naar het Qörlitzer station te brengen. Hier kan ik u geen antwoord meer geven op uwe vraag. Doch ge waart dezen nacht mijn goede kameraad; als ge wilt, kom dan ook nog een dag met mij mee. Breng dien daar buiten door in het eenzame, mooie plekje, waar ik met een paar trouwe gezellen luister naar de woorden van mijn sibylle. Ge zult me ook daar van harte welkom zijn. De gelofte van te zwijgen moet ik u weliswaar nog voor korten tijd opleggen, maar ge zult alles zien wat ge wilt en dan zult ge vanzelf het antwoord krijgen op uw vraag. Kom mee; Lilly Jackson, de schoone burchtvrouwe in het Spreewoud, zal u gaarne ontvangen als mijn vriend. De uren van het eenzame onderzoeken zijn toch gauw om; niet lang zal het meer duren of de heele wereld zal kondschap krijgen van ons doen. Voeg u dan bij de eersten, die deel hebben in ons nieuwe weten; kom mee, kom mee!

Zijn aandringen was zoo warm, zoo levendig. Ik keek nog eenmaal naar buiten in den schoonen dag, die rood als goud opsteeg boven het groene bladerdak. De gedachte werkelijk voor een dag de grootestadslucht te verwisselen met den adem van weide en woud leek mij op eenmaal zoo aanlokkelijk. Het vage, aantrekkelijke beeld van het Spreewoud, dat mij uit mijn boeken bijgebleven was, dook eensklaps voor mijn geest op: een slot, een boerenhoeve, daartusschen murmelend water met groene oevers, doorsneden door een bootje. Daarbij hield de betoovering van die raadselachtige vrouw mijn ziel gevangen met steeds grootere kracht, als staarden haar lichamelijke oogen mij aan. Snel schoof ik in mijn gedachten alles terzijde wat aan bezigheden en arbeid aanspraak maakte op den komenden dag; — beneden reed het rijtuig voor het huis; nog eenmaal was ik gevangen, nog eenmaal ging ik mee.

Toen wij even later, diep in de zachte kussens van de

Sluiten