Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat aardhoekje van ongehoorde vruchtbaarheid, geschapen door de honderdvoudig vertakte rivier en een laatste toevluchtsoord gebleven voor het uit elkaargespatte overblijfsel van een uitstervend volk.

Kort daarop hield de trein stil, we waren ter bestemder plaatse, dat wil zeggen: aan het einde onzer spoorreis; in het hart van deze raadselachtige landstreek kan men alleen met een bootje doordringen. Met oogleden, zoo zwaar, als zat er nog een goed deel van het Berlijnsche stof in, stond ik naast den graaf en zag rondom mij op een overigens volslagen leeg perron. Toen het geratel van den trein in de verte weggestorven was, was er ver in 't rond geen enkel geluid te hooren; de morgenstilte scheen van den diepblauwen, van licht doortrilden zonnehemel zelf op aarde neer te dalen. Een geur van groote, sappige bladeren, van verschen akkerbouw en van groenten kwam van alle zijden naar ons toe uit de vlakke, vochtige velden, gedragen door de zachte luchtgolfjes, die de toenemende zonnewarmte omhoogtrok: het was de groet van den onmetelijken augurken- en ramenastuin, waarop de heele miljoenenstad, daar verderop beneden aan de rivier, teert en wiens gelijke in de wereld niet te vinden is. Een slanke kerktoren tusschen roode pannendaken, die in den morgennevel als een zacht, vervloeiend spiegelbeeld boven de blauwgroene bladermassa's van een laan stond, wees ons den weg.

Een half uur later zaten we in het bootje van den graaf. Een lange, zwijgende schipper met scherp geteekende gelaatstrekken en donkere oogen, boorde met regelmatige bewegingen den grooten boomstok met dubbelen ijzeren haak in den weeken grond en zoo, langzaam voortgeboomd, gleed het smalle vaartuig, op de enge bank waarvan juist plaats was voor twee, onder zacht geplas over het eerste der tallooze kanalen. Geen stofje was er in de lucht. Bij ons naderen ruischte de golvende waterspiegel, waardoorheen de vlakke bodem nu eens goudrood door den kristallen vloed spiegelde, dan weer opging in de blauwe weerkaatsing van den hemelkoepel, zacht tegen de vochtige, glanzende bloemenkopjes en grasbundels van den onmerkbaar glooienden weideoever, waarboven nu eens een tot heel beneden bebladerde elzenstam, dan weer eens een vreemd toegespitste, peervormige hooischelf uitkeek. Wanneer de kleine rimpel van den sloot vervloeid was, dan lag, bij het achteruitzien, het geheele watervlak weer onbewogen tusschen zijn groene omlijsting als ware het hard glas, dat in

Sluiten