Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoten. Om dit heele tooneel echter, dat zoozeer geleek op een droombeeld uit lang vervlogen oertijd, golfde, als een echte Maïa-sluier van het levende, een zee van lichtgroen en bonte bloemen; purperroode, juist opengebloeide pioenen zwollen op uit het blauwachtige struikgewas, de Spaansche vlier rekte zich met haar zware, violette trossen omhoog tot aan de goudgroene wingerdblaren boven op het dak; bijna tot in het water en in de boot, die knarsend over het zand streek, golfden in een weelderige wolk van geuren, de giroffels.

Toen ons vaartuig behendig om een hoek boog, trad juist tegenover ons en zoo dichtbij, dat ze met de hand te bereiken was, een Wendisch meisje, dat er in haar helkleurige nationale dracht zelf als een bonte ruiker uitzag, uit een lage deur naar buiten tusschen de bloemen; haar trotsche, hoog ontbloote naakte voet boog het stramme oevergras krachtig neer, een paar smalle, grauwachtig blauwe oogen staarden een oogenblik onverschillig op ons neer, toen keerde de gestalte zich langzaam om en verdween weer. Ook over de bewegingen van dat eenzame menschenkind lag iets als een betoovering; haar spoor in het gras scheen aanstonds weer uitgewischt, de deur leek zoo vol barsten en zoo grauw, alsof ze in geen eeuwen opengedaan was. Een licht gezoem van bijen kwam uit het boschje giroffels, ze schenen de eenige meesters van het eiland.

Urenlang voerde onze boottocht ons daarna weer langs de warme, door de zon beschenen weidj.i» De blauwgroene zoom van het elzenwoud aan den uitersten horizon steeg langzamerhand al hooger en hooger; de roep van den koekoek klonk dichterbij. Geruimen tijd heerschte er in het bootje een stilte, die tot peinzen stemde, men hoorde alleen het zware ademen van den schipper en het plassen van den ingestooten of nasleependen boom.

Ik genoot met volle teugen de bekoring van een, mij vreemde wereld; de graaf scheen zich aan zijn eigen gepeinzen over te geven, die wellicht beheerscht werden door ons nachtelijk avontuur. Toen de natuur mijn oog niets nieuws meer bood en bij de hooger stijgende zon het landschap in de verte weer neveliger en meer omsluierd werd, begon ook ik mij van het zichtbare aftewenden en te droomen in mijn herinneringen. Mijn geest keerde terug naar het beeld van die zeldzaam schoone vrouw, wier oogen nu over een korte poos voor mij zouden oplichten. Vanzelf rees de wensch in mij op iets naders te vernemen van

Sluiten