Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die in levende lijve voor hun oogen wandelen, aan het subjectieve bestaan van het visioen van een krankzinnige, die idéés fixes heeft en zich vervolgd waant, zoudt ge dat alles ooit gelooven, als niet de traditie en het dagelijks terugkeerende bewijs der werkelijkheid uw geest niet al lang afgestompt had tegen het meest paradoxale?

— Wees hiervan verzekerd: met de theorie van het a priori betwijfelen alléén, komen we hier niet doorheen, de kwestie is hier zoo goed als in al die andere gevallen alleen deze: of de feiten juist zijn of niet. Daarvan moet ge u zelf overtuigen. Al langer dan een week heb ik geen séance meer met Lilly gehad. Het is te voorzien, dat zij dus nu zoo goed gedisponeerd zal zijn als maar eenigszins mogelijk is, zoodat wij nog hedenavond een volkomen overtuigende proef zullen kunnen nemen. Ge zult trouwens behalve deze jonge dame nog drie vrienden bij mij leeren kennen, die sinds jaren mijn assistenten en mijn goede kameraads zijn, zeer verschillend geaarde, maar in ieder opzicht voortreffelijke menschen, die bij mij eens en voor goed hun thuis gevonden hebben. Vanaf het tijdstip, dat ik weer de vermogende graaf werd in het voorvaderlijke slot, heb ik er een stille liefhebberij van gemaakt om dezen en genen mensch, dien ik in den maalstroom van mijn bestaan heb leeren kennen en waardeeren, voor mijzelven uit de algemeene misère van het leven op te vangen en, voor zoover de stoffelijke dingen betreft, ten minste onbezorgd te laten voortleven. Dat is in zekeren zin een laatste, gelaten overblijfsel van mijn socialen verlossingsdroom. Mijn eigen leven is zoo eenvoudig en regelmatig, dat ik voor mijzelf maar een klein gedeelte van mijn inkomen noodig heb; kinderen heb ik niet en met mijn bloedverwanten, zoowel als met mijn standgenooten in 't algemeen, ben ik meer dan in onmin geraakt. Een opgeruimd menschengezicht is dan bij slot van rekening nog het beste, wat men zich kan verschaffen, al schuilt ook hier weer heel wat egoïsme onder, wat ik niet ontkennen wil — ik ken ons menschen nu eenmaal! Deze drie, die ge ontmoeten zult, zijn heel en al bij mij blijven wonen. Van alle drie kan men zeggen, dat zij «strandgoederen des levens» zijn, menschen, die niet krachtig, misschien ook niet gewetenloos genoeg geweest zijn om in den strijd om het bestaan, zooals die wordt gestreden in onze kapitalistische maatschappij, er zich met hun talenten in eens door te slaan, en van wie het toch wezenlijk jammer geweest zou zijn, indien zij onder de raderen gekomen waren. Een ge-

Sluiten