Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen kapitein, wiens tragisch lot hierin bestaat, dat hij eigenlijk van top tot teen een aristocraat is, en toch om een al te vrije critiek in een brochure den staatsdienst heeft moeten verlaten. Een dichter, die zijn talent niet voor geld wil prostitueeren en wacht op den dag, dat hij triomfeeren zal door zijn kunst alléén, en toch, naar ik vrees, daar niet genoeg kunstenaar voor is. En ten slotte een schilder, die werkelijk een origineel genie is en alleen nog maar een paar jaar lang materiaal behoeft te verzamelen om de wereld blijvend te verbazen. Ieder van de drie heeft mij bij mijn specialen arbeid onschatbare diensten bewezen en ik heb alle drie dubbel leeren achten om de wijze, waarop zij zich voortdurend gedroegen ten opzichte van Lilly. Onze schoone huisfee, wie wij zooveel te danken hebben, is niet altijd gemakkelijk in den omgang, maar ik zou geen betere helpers kunnen vinden. Waar het overal stormt in de wereld, komt gij bij mij tenminste in een huis des vredes. Wij vijven vormen een ongedwongen gezin, geen van ons heeft een bijzonder doel, dat hem zou kunnen vervreemden van het gemeenschappelijke werk. Wanneer het waar is dat groote, wereldhervormende bewegingen niet geboren worden in het rumoer en het gepraat der openbare partijen, doch in stille hoekjes, waar een paar goede menschen samenwerken in dienst van een nieuwe, overtuigende idee, dan voldoen wij aan dien vooropgezetten eisch in den echten zin.

Zijn eenvoudige woorden klonken diep en ver verstaanbaar over de stille watervlakte. Weder kwam ik, evenals in den roes der overspannen nachtelijke uren, nu ook in den vredigen zonneschijn des daags, onder de zeldzame bekoring, welke van dien man daar naast mij uitging. Ik glimlachte wel om dat gevoel, maar 't was geen spottende glimlach. Ik dacht dat men naar hetgeen het geloof in iemand wrocht, wel niet de heele waarde, maar toch wel iets van de waarde van dat geloof kan afmeten. Welnu, het kon zeker niets slechts zijn, wat deze wilden geest, uit wiens oog nog nu en dan het vuur schitterde, waarmede eens de begeesterde volksredenaar zijn gehoor medegesleept had, zoo vredig, zoo innig gelukkig gemaakt had. En zooals hij nu van zijn jongeren sprak — want in een andere verhouding stonden deze drie «geredde zielen» stellig niet tot hem — ging voor mij de heele figuur van dezen man steeds meer op in het milde, zonnige, van de wereld afgescheiden landschap, dat zich voor mijn oogen uitstrekte.

Sluiten