Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ver naar onder bebladerde elzen. Het geheimzinnige rijk van het diepere, hooge woud ontsloot zich niet, boven het hooge gras van een boschweide heen toonde het zich alleen als een eindeloos uitgestrekt, kolossaal tuinhek, waarin de naar boven nauw met elkaar inééngegroeide kronen, een lijnrecht voortloopenden wand vormden. De boomen stonden, naar ik hoorde, met de wortels in een moeras, de twijgen welfden zich tot een somber schaduwdak over zwart-en-gouden waterstraten, waarin men dagen achtereen rond kon varen, zonder iets anders te zien dan zwavelgele lischbloemen, hopranken en den overal even dichten, en even groenen dom van elzenhout. De breede stroom, waarop onze boot zich begeven had, kromde zich in een golvende lijn door de weidegronden, de oevers waren zoo vlak, dat het scheen alsof het water aan beide zijden ongemerkt onder het gras schoof en de trillende, groene plantengolf als een wierzee op den oceaan, zacht over zich heen liet schommelen.

Eenmaal verrees een magere boerengedaante bijna onmiddelijk naast ons uit het gras op, hij scheen te maaien; dadelijk daarna boog onze boot om den hoek: hij voer in een boot en boomde zich voort, maar de weelderige plantengroei op den oever had zelfs op zoo korten afstand boot en kanaal voor ons verborgen gehouden. De beide bootslieden wisselden een Wendischen groet; die vreemde taal leek ze voor mij zoo oneindig ver terug te zetten van de wereld der groote stad, wier stof we toch eerst sinds een paar uur ontvloden waren. Sprookjesbetoovering — al wat het oog zag, al wat het oor hoorde! En toch moest het eigenlijke wonderbare nog pas komen. —

Nu rees uit het groote tapijt, dat tot dusver nog maar alleen verbroken was door de gouden vlek van een dotterbloem of door de vochtig-violette piramide van een bloeiende orchidee, een groep daken. Een dof gestamp en het bruisen van omlaagstortend water klonk tot ons door in de diepe stilte der natuur.

— Daar is de molen, zei de graaf, daar houden we even halt en dan leggen we het laatste stuk tot aan het slot te voet af. Dat is zóó nader, de boot moet een omweg maken. En we zijn hier aan de grenzen van ons kleine rijk!

Een oogenblik later zaten we op een landelijke, ongemakkelijke bank onder een reusachtige linde midden op het erf van den molen. Aan drie kanten rondom waren huizen van één verdieping. Links was de eigenlijke molen, uit welks loodsen, die} gedeeltelijk achter een groene

Sluiten