Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deur bij het scheprad een jongmensch in hemdsmouwen, met een zwart vest, een tot kleurloos wordens toe versleten broek en barvoets, stellig een type van de schaar mannelijke arbeiders, die hier werkten. Een reuk van meel steeg uit het geheel op en daarmee vermengde zich de geur van het vochtige hout en het sterke aroma uit onze bierglazen.

— Hier hebt ge het alleroudste en het allernieuwste bijeen, zeide de graaf, de linde, die eens de karakteristieke boom van het Spreewoud was en nu bijna verdwenen is

— en de moderne fabriek, die den boerenstand vervormt tot een industrieproletariaat.

Mij leek het geheel een idylle toe, waarvan ik de lijnen vast in mijn ziel wilde prenten en ik dronk met onvermengd genot dezen heerlijken zonneschijn in, den spookjesachtigen vrede van dit land, waarin het gestommel van de raderen daarbinnen slechts klonk als een zwakke stem, die herinnerde aan de wereld, welke mij nog gisteren bruisend omgaf in de wereldstad. Na een half uur braken wij op. Een zwarte zijweg voerde van de breede, getraliede poort van het molenerf over een open plek met jong koren rechtstreeks naar het woud. Toen de eerste bladerkronen zich boven ons hoofd welfden, greep de graaf mijn hand.

— Nog eens: welkom! riep hij hartelijk, nu staan we op eigen grond en bodem. Ziet ge, in dit bosch groeit de ecch nog fier omhoog, de oude Duitsche wereldboom, de wilde hop slingert haar heilige ranken van tak tot tak, in de sloten glanst onze noordsche lotusbloem, het symbool der warmste liefde en der oudste, diepzinnigste philosophie; gelooft ge ook niet, dat het hier zalig is om te droomen van goden, van liefde en van wijsheid? Geloof me, de geur, die uit dezen groenen bodem tot u oprijst is tempelgeur, orakelgeur, dit woud is gewijd door den voet en de stem van het raadselachtige wezen, dat er zoo gaarne door dwaalt.

— Hier is het schoon, hier wil ik graag blijven, zei Lilly, toen ze hier voor de eerste maal kwam. Het was een warme zomermiddag evenals nu. De koekoek, de grauwe philosoof uit het woud, die van het leven alleen het genot wil, maar geen nest bouwt, riep toen ook, een *treurvogel» zweefde langzaam, zich wiegend onder den groenen schemer van het bladerdak, voor ons uit, als een ander symbool van wat achter mij lag. Daar, in die koele, naar mos ruikende eenzaamheid, heb ik eerst volkomen begrepen, welk een geluk mij, den moeden zwerver, te beurtgevallen was, welk een vriendelijke verlossing mijn deel was geworden.

Sluiten