Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steenen. De gebouwen voor het boerenbedrijf, die er omheen lagen met hun ruige daken, onderscheidden zich door niets van de Wendische boerderijen, die we op onzen boottocht voorbijgekomen waren; een met lofwerk versierde duiventil was het eenige teeken van meerderen welstand.

— Dat is nu onze oude, wormstekige kast, zei de graaf glimlachend, terwijl we het laatste stuk van den weg in de brandende hitte aflegden — het park, dat ge van hier niet zien kunt, is het beste wat er aan is. -Onze ark-», heeft Lilly eens het heerenhuis gedoopt! Het doet er niet toe, het is de ark, die ons in een betere wereld zal brengen, daarvoor is het nog goed genoeg. Ik bouw niet meer met steenen, maar met geest, die oude kast mag ineenvallen, evenals het gebeente mijner voorvaderen inééngevallen en de blufferige ideeën van de heele oude aristocratie vergaan zijn, het raakt mij niet meer.

Hij sprak nog, toen twee gedaanten uit de geopende traliepoort van het slotplein traden. Ze sloegen de allee in en kwamen ons langzaam tegemoet.

— Hè, kijk! vervolgde de graaf, langzamer loopend, alsof hij de naderkomenden wilde afwachten, daar zijn onze oorlogsheld en onze dichter, nu kunt ge dat dubbel gesternte van anima candida leeren kennen!

Hoe gespannen mijn verwachting ook was, had ik een gevoel van inwendige pret, toen ik daar nu die beide jongeren van den nieuwen messias aan zag komen wandelen: een lange, magere gestalte en een klein, dik heertje, reeds van verre namen ze groetend hun hoeden af. Ik dacht aan Don Quichotte's ridderburchten, waarvoor een dwerg den dolenden held afwacht. Geen van die beide menschenkinderen, die, zoodra de graaf ons aan elkaar voorgesteld had, mij allerhartelijkst de hand reikten, maakte een bijzonder grooten indruk op mij.

De heer Von Meerheimb, de gepensioneerde kapitein zag er inderdaad zoo gepensioneerd mogelijk uit, zijn beenen knikten ietwat, hij was grijs, droeg kortgeknipte haren, zijn gezicht vertoonde achter het gouden lorgnet duizend plooitjes, kortom hij was een man, zooals ik reeds honderdmaal gezien meende te hebben, hetzij als gedwongen oudheidvorscher omklimmend op problematische graswallen van een Romeinsch castrum, hetzij als gedwongen romanschrijver, de vage terreinen der litteratuur met militaire zekerheid afjagend. Met zijn smalle, goedverzorgde hand balanceerde hij een onmogelijke lange, zwarte sigaar op

Sluiten