Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de uiterste vingertoppen, waarbij het reusachtige hoefijzer van den zilveren manchetknoop bestendig met verblindenden weerschijn schitterde.

Doctor Hans Walter droeg een kleinen, zwarten puntbaard en zijn haar stond min of meer overeind, maar uit die donkere omlijsting blonken twee ronde, rozige, dikke wangen, zijn wit zomervest stond strak gespannen over een vertrouweninboezemend buikje, gelijk den lyrischen dichter toekwam, die reeds jaren lang onbezorgd aanzat aan de tafel der rijken en in spijt zijner spirititische neigingen althans het spook der beroepszorgen toch wel voor goed uit zijn leven had kunnen verbannen. In weerwil van den Godsvrede in het landschap om ons, voelde ik mij toch, toen ik den naam van dien heer hoorde, in het diepst van mijn ziel als een berouwvolle zondaar, die laatst een dichtbundel van «Hans Walter» nu juist niet heel zachtzinnig onder handen genomen had. Maar het toeval is vaak den critici goedgunstig tegenover hun slachtoffers en houdt de betrokken courantenkolommen hardnekkig buiten het gezicht van den afgemaakte: mijnheer Walter wist er blijkbaar niets van, of koesterde niet den minsten wrok. Terwijl de kapitein met den graaf vooruitliep en we het korte eindje tot aan het slot om zoo te zeggen onder vier oogen bleven, begon hij dadelijk allerbeminlijkst te keuvelen.

— En waar is onze groote man? vroeg de graaf, zich omkeerend, toen we' vlak onder zijn geslachtswapen de steenen stoep naar het hoofdportaal opklommen, Petrus, op wien wij onze kerk zullen bouwen? O, ik hoor hem al. . . Ge moet namelijk weten, waarde doctor: Peter Frey, de vierde in ons verbond, is niet alleen een groot schilder voor den Heer, maar ook een dolle Wagneriaan. Hoort ge wel? Rheingold! Eerst de toon en dan de man, hij komt niet zelf aan de deur, maar zendt ons tenminste zijn lievelingsmelodie tegemoet.

We kwamen in een groote, koele hal, zoo ruim als het refectorium van een rijke abdij; de tot dichtbij den grond omlaaggaande dubbele vensters met kleine ruiten stonden alle wijd open, daar buiten omheen was een groene veranda, waar een geur van rozen om hing: het plafond was versierd met wonderlijke, gescheurde gipsornamenten, aan de ietwat berookte wanden hing een heele verzameling hertengeweien en opgezette, gevederde jachttrofeeën, die een scherpe lucht afgaven. Niets in dit heele, reusachtige vertrek wees op wetenschappelijken arbeid. Het huisraad scheen vóór kort

Sluiten