Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hernieuwd te zijn. Een hoekje naast een monsterachtig, werkelijk voorhistorisch kachelfornuis was door Perzische divans in een gezellig rooksalonnetje veranderd; dicht bij de deur naar de veranda wachtte een reeds gedekte tafel op de middaggasten en tusschen de couverts prijkte ook het onvermijdelijke vlierboeket. In een anderen hoek besloeg een kolossale, glimmend zwarte vleugelpiano een ruimte die alleen voldoende geweest zou zijn voor een Berlijnsche kamer en toch zou er in het midden van de zaal nog ruimte genoeg zijn om er een heele bruiloft te laten dansen.

Op het oogenblik, dat wij binnentraden, verhief zich een elegante verschijning achter de piano, een man van misschien even dertig jaar, met stompen neus, gevangenisachtig kort afgeschoren haar en een verwilderden, borsteligen baard, met een terughoudende, onverschillige uitdrukking in de oogen, die juist karakteristiek wijst op een echte worstelende kunstenaarsnatuur in tegenstelling met het 'vuurwerkspel van dilettante oogen. Hij reikte den graaf en mij achteloos de hand en ging toen met gekruiste armen voor eenui^a.in staar>» zonder verder notitie van ons te nemen en blijkbaar tevreden, dat men hem ook met rust liet Dai was dus nu de Petrus van het mystieke evangelie. Maar waar was de Egeria, de geesteskoningin? Een paar grappige menschen, een landelijke ridderzaal, een gedekte tafel het uitzicht in een rozenpriëeltje, dat was het toch eigenlijkniet, wat me naar deze groene eenzaamheid gelokt had ...

— Speelt ge heel alleen, Frey? vroeg de graaf, toen hij, na even weg geweest te zijn, in welke tusschenpoos de kapitein ine een paar ornitologische zeldzaamheden in de verzameling aan den muur als deskundige uitgelegd had de kamer weer binnen kwam. — En waar is onze schoone huisgeest?

— In het park. Ernestine was daareven hier (hij sprak dien naam Fransch uit) maar is op 't zelfde oogenblik, dat ge binnenkwaamt door de veranda weggesneld, waarschijnlijk om uw komst te melden. Miss Lilly zelf heb ik vandaag nog heelemaal niet te zien gekregen.

— Goed, laten we haar achternagaan in het park, waarde doctor, als u dat goedvindt.

Ernestine? Hier dook dus nog een tweede vrouwelijke naam op, een Fransche! Er waren in Parijs heel wat lieve jonge meisjes, die zoo heetten . . .

Ik zou niet lang in het onzekere blijven. Reeds onder het geel-groene, van witte rozen overstrooide dak der veranda

Sluiten