Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een bootje dobbert voor me, zacht gewiegd door den beschaduwden, donkeren vloed, waaruit gele lisschen opschieten.

In dit bootje staat een slanke gestalte.

Aschblond. gekruld haar, nog meisjesachtig in een lange vlecht met een rooden strik gedragen, hoewel haar gelaat toch geen meisjesgelaat meer is. Een matte gelaatskleur, om den neus enkele zomersproeten, de kin een klein beetje vooruitstekend onder de dunne lippen; om de opvallend groote sterren der pupillen, die iets nachtelijks, omsluierds hebben, maar een heel kleine grijsblauwe kring. De eenvoudige, dunne, roodzijden blouse, opgehouden door een leeren gordel met een eenvoudigen gesp, deed de flinke breede schouders, den gevulden boezem en de zeer jeugdige taille uitkomen. Ze droeg een zwart kleed daaronder. In de eene hand heeft ze een ruiker diep-gouden nympheeën.

En uit dezen ruiker stijgt een sterke, heel eigenaardige geur, de bedwelmende bloemenziel van de Noordsche, gele lotus, een geur, die ik nu, na zoovele jaren nog meen te ruiken, die mijn kamer vervult, terwijl ik zit te schrijven, hoewel ik toch weet, dat hier geen meerrozen bloeien. Ik heb het gevoel, alsof die geur toen een onmisbaar deel van die vrouw zelf was, bij haar behoorend zoogoed als haar oogen, als heur haar.

Het eenzame meisje in de boot zag heel rustig toe, toen we onder het bladerdak naar haar toekwamen. Toen we geheel en al buiten de boomen waren, sprong ze luchtig op den oever en reikte den graaf de hand. Toen hij mij voorstelde en glimlachend zei: — Een ongeloovige, doch een goed vriend, gaf ze ook mij de hand, doch het scheen mij toe, dat zij daarbij langs mij heen in het park zag; op haar matte tint kwam geen blos. De graaf vroeg hoe zij 't maakte. — Slecht. Die zwoele lucht is afschuwelijk. Alleen op het water is het nog uit te houden. Terwijl zij dit zeide, hief zij haar arm op en streek langzaam over haar weerbarstige haren, ik had den tijd op te merken dat — stellig door het roeien — de mouwen van haar taille los gegaan waren, het witte hemd keek er onder uit. De zwarte japon was tot boven aan toe bemorst met groen wierslijni, de gesp van den gordel zat scheef. Op de hand, waarin zij de bloemen hield, parelden heldere droppels; het was een kleine, flinke hand met spitse nagels, waaronder het wit doorschemerde. Het leek mij of haar gelaatstrekken niet bijzonder overeenkwamen met de photographie en juist in wat er mij van

Sluiten