Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijgebleven was, heelemaal niet; maar ik dacht dat het een van die onbestemde gezichten moest zijn, die men bij verschillende gemoedsbewegingen en bij verschillende belichting gezien moet hebben om over hun aantrekkelijkheid te kunnen oordeelen. Haar accent had, toen zij verder sprak, die melodieuze weekheid, die duitschsprekende Engelsche dames niet zelden aan onze taal weten te geven; vooral de W behield een vreemden klank en bij het uitspreken ervan werd de kin veel verder naar voren gestoken, er lag daarin toch wel een zekere bekoring. Ik had een dieper, mannelijk orgaan verwacht, en een spreken in lange, uitgezochte zinnen. Lilly Jackson sprak in korte, afgebeten zinnetjes, ze antwoordde meer dan dat zij zelf beweerde, en vaak in heel slecht Duitsch; het was of zij met haar geest al lang niet meer was bij hetgeen zij zeide, of ze allang weer over iets anders dacht. De beleefdheidsregel, dat men een ander niet in de rede moet vallen, scheen ze nauwelijks te kennen.

We wilden met haar spreken over onze reis, maar dat scheen haar niet te interesseeren. Ze onderbrak ons herhaaldelijk met dingen over haar zelf. We moesten haar ruiker bewonderen. We moesten erkennen, dat zij de boot onlangs geheel aanpassend bij het landschap had laten schilderen. — Als Chirons boot, zei ze, zonder dat een van ons haar verkeerde vergelijking corrigeerde.

Er lag in haar heele wezen iets van een groot kind, en de vrienden, de graaf zelf in de eerste plaats, schenen dat met een vergenoegd glimlachje te verdragen. Daarbij bleven haar vreemde oogen koel uitzien en weer ving ik een blik op, die iets onderzoekends had.

Ik moest me zelf eerst langzaam gewennen aan dat volslagen contrast tusschen wat ik verwacht en wat ik gevonden had en gedroeg me in den beginne geheel en al passief. Zij kende, naar het scheen, geen aanvankelijke periode van verlegenheid tegenover een vreemde. Toen de dikke, kleine poëet, wiens oogjes haar aldoor schenen te omhelzen, naar voren sprong om de boot aan een paaltje vast te leggen en ik zijn onhandigheid, die toch al meer dan voldoende was, heel behulpzaam wilde aanvullen met de mijne, trok ze mij met een tamelijk krachtigen ruk op zij en zeide: — Ge zijt daar juist de goede voor; de een is even handig als de ander. En terwijl zij zelf de boot vastlegde en de heer Walter bijna te water raakte, schaterde ze het uit van lachen met open mond; van medelijden was niet veel te bespeuren. Nadat het oogenblik van teruggaan

Sluiten