Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat moet ik onthouden. Maar ben ik dan nog altoos slaapdronken? De gestalte bij de portière praat, maar in weerwil van alle moeite, die ik er voor doe, kan ik er niets van verstaan. Nu wordt het ook al donkerder en donkerder, ik zie haast niets meer. Ik weet zeker, dat er juist nu iets heel gewichtigs komen zal en het is nu alsof ik verlamd ben. O, die wanhopige slaperigheid! Een nieuwe schrik grijpt me aan: mijn kleeren zijn verdwenen, ik sta barvoets en in mijn hemd op het tapijt in het salon. Tegelijk komt me vaag iets voor den geest van een heelen roman, die zich hier afgespeeld heeft: hoe ik mijn kleeren uitgetrokken heb om te gaan baden, hoe ik uit het water gevlucht ben ... Maar er komt in die pijnlijke verlegenheid weer een verlossende gedachte in mijn hoofd: onzin! dat salon bij Alsen is ook maar een droom, ik ben te voren heelemaal niet wakker geworden, heb alleen maar verder gedroomd.

Op dit oogenblik sloeg een klok, en tot mijn verwondering stond ik rechtovereind, met het gezicht naar het bedgordijn, midden in mijn slaapkamer. Een huivering van kou en een gevoel van geestelijk onbehagen dreven mij snel weer in bed, en eerst daar werd ik bewust waar ik was.

Drommels! wat was dat een gekke droom geweest! Dat was je zuivere nachtwandelen! Waren dat de naweeën van den spiritistischen onzin, die zich zoo op de verkeerde plaats meester maakten van mijn hersenen?

Ik behoorde anders toch niet tot de menschenkinderen, die veel en zwaar droomen. Ik kende maar één soort droom van overspanning na al te ingespannen hoofdarbeid in de late avonduren: de algebra-nachtmerrie. Dan cijferde ik aan eindelooze vergelijkingen, waarin altijd weer een fout was, zoodat ik eeuwig van voren afaan moest beginnen. Maar het was iets heel nieuws voor me, me buiten mijn bed op spookachtige wandeltochtjes te betrappen. Terwijl ik nog glimlachte over het dwaze van die situatie, die gelukkig niemand gezien had, kwam toch even een gedachte in mij op, ik streek met de hand over mijn voorhoofd en dacht: men moet waarachtig niet lichtzinnig spelen met zijn hersencellen, die boel daar boven gaat malen, voor men er het minst erg in heeft. Geen wonder als een — geloovig spiritist ten slotte gek wordt!

En zoo was ik op mijn enger thema gekomen en dacht over de dingen, die me vandaag te wachten stonden. Volkomen bedaard begon ik het noodige plan de campagne te ontwerpen. — Wat doet ge hier in het Spreewoud? zei ik

Sluiten