Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— het was Lilly en niemand anders. O, als zij den geringsten weerstand geboden had: ik had haar in dit oogenblik kunnen verscheuren, haar tusschen mijn armen kunnen verpletteren. Ik had een man, dien ik hoogachtte op de knieën zien liggen voor deze erbarmelijke goochelaarster, — — weg, weg met haar!

En toch — ook nu geschiedde weer juist, wat ik het allerminste verwacht had. Bij de eerste harde aanraking zonk de gedaante willoos, zonder te trillen, als een doode in mijn arm. Het hemd was op den schouder losgegaan, een zonnestraal trilde, toen ik omlaag zag, juist dwars over de bloote borst. Het hoofd hing slap achterover, het heele lichaam drukte zwaar als dat van een slapende. De oogen waren gesloten.

Ik keek op. Niemand uit den kring was opgestaan. Diep ernstig, als vormden zij een zwijgend koor, dat prees, noch veroordeelde, zaten de gestalten der vrienden om mij heen. Een seconde lang bleef ik verward stilstaan. Ik had gedacht, dat alles in een wild tumult uiteengestoven zou zijn. Wat dachten deze mannen? Ze zagen immers allen ongetwijfeld Lilly's trekken — en toch bleven ze zoo rustig?

Zwaarder scheen mij opeens de warme last in mijn arm; ik ademde diep op. En als om mij te redden, te verantwoorden voor de ernstige, zwijgende blikken der anderen, sloeg ik mijn oogen neer en zag naar het gezicht der vrouw, die ik ontmaskerd had. Tegelijk sloeg de slapende haar oogleden op. Een glimlach, als van een onschuldig kind dat uit een diepen droom ontwaakt, speelde om de kuiltjes der wangen en om de smalle, ietwat vooruitstekende kin. Ras schenen echter de verdere vormen van het gelaat geheel en al te verdwijnen voor de grooter en grooter worden sterrenoogen — nu zag ik voor de eerste maal het paar oogen, die van die photographie af naar mij toegestraald hadden. Er ging misschien een minuut voorbij, zonder dat er iets geschiedde. Wij keken elkaar aan zonder een woord te zeggen, zonder een beweging te maken. Eindelijk voelde ik een lichten druk op mijn schouder. De graaf was onhoorbaar opgestaan en stond nu achter mij. — Voorzichtig, beste vriend! Breng miss Lilly langzaam naar den stoel, het dichtst bij u — maar zeer voorzichtig — ze moet eerst heel langzaamaan wakker worden.

En als werd bij deze woorden de betoovering, die de slapende nog omving, vaneengescheurd, zoo hield onmiddelijk daarop de looden druk op mijn arm op, het hoofd

Sluiten