Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was ook het laatste daarvan verdwenen. Daar de graaf niet verder bij mij aandrong om te blijven, waagde het ook geen hunner meer, daar iets van te zeggen, maar hun handdruk, hun afscheidswoorden waren zóó warm, zóó hartelijk, ieder hunner wenschte mij zoo hartelijk «Tot weerziens», dat ik opnieuw moest gevoelen, dat hier inderdaad geen aanzien van richting voorzat, maar goede menschen gaven wat in hun ziel opkwam.

Allen begeleidden mij tot aan den molen, waar ik weer in de boot ging. Toen ze afscheid genomen hadden, en ik nu weder alleen met den zwijgenden schipper langs het slapende, van geur overstroomde landschap over den glanzenden waterspiegel gleed, voelde ik bij de groote matheid, die op me drukte, een diepen tweespalt in mij- De omgeving van woud en weide trok mij niet meer aan, somber zag ik voor mij heen en luisterde alleen maar naar het gelijkmatige plonsen van den boom in het water. Wat achter mij lag en met iederen stoot van het vaartuigje verder wegzonk, scheen mij als een sprookje toe. Maar het was geen sprookje, dat geluk gaf. Er was daar een vraag in, die ik niet oplossen kon, een trek, dien ik steeds minder begreep; hoe meer ik over iedere bijzonderheid napeinsde, hoe meer tegelijkertijd mijn nuchter denken in opstand kwam tegen het gephantaseer van den graaf. De zon brandde met haar vollen gloed op mijn schedel. Vermetel had ik me gewaagd in dit tooverland. Het was mij te moede als ware de spookachtige godin van den middag mij genaderd. Ik had Pschipolniza's vraag vernomen. Ze klonk uit de groote ster-oogen van de ontwakende vrouw uit de oranjerie in het Spreewoudpark nog steeds voort in mijn denken — zij klonk wederom in den stommen, kwellenden twijfel in mijn borst:— Wat moest deze scène beteekenen?— hoe verklaart gij haar?

Ik vond geen antwoord.

Sluiten