Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE BOEK.

I.

et beeld van een groote stad biedt geen troost als men bedroefd is. Den gelukkige jubelt zij tegen met duizend wulpsche lippen, met duizend knallende

champagnekurken, hij heeft oog voor haar dolle, zonnewarme, licht-dronken vroolijkheid, hij geniet den geur, de poezie van dien korf vol vlammend roode rozen, al is het ook nog zoo'n vuile hand, die ze hem aanreikt, hij weet zich één met de trotsche melodie, die in duizend geluiden, uit duizend bewegingen hem bestormt en aan zijn oor zingt: — zwelg — of ge zinkt weg, tuimel mee in den roes — of ge wordt blind ...

Wanneer iemands hart moede is, dan voelt hij, dat de stad een spiegel is van de echt-moderne wereld — van de wereld, die machtige raderen in beweging zet, zonder van hem notitie te nemen, van de wereld, waarin slechts de ruwe kracht, waarin alleen de elleboogstoot van wie vooruitdringt een macht is, die meetelt, waar de droefheid echter een vreemdeling zonder vaderland is, dien deze wereld zoo vaak verloochend heeft, als er hanen gekraaid hebben door alle eeuwen heen. Ware het lijden zelf nog een verlossende Heiland, zooals de philosophie der oude wijzen zich het dacht aan den Lotusstroom, dan behoefde het zich niet te bekommeren om dat Petrus-humeur. Maar het is slechts als een Heiland aan het kruis, die roept: — Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, — een Heiland, die langzaam verbloedt in het avondrood, geen troostend Godsgezant, die verwant is met een mystieken oergrond van het zijn en daarmee verzoent. . . .

Toen ik uit het station op het Alexanderplein in de drukte van den laten Berlijnschen namiddag kwam, was

Sluiten