Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het mij, alsof de warme, van stof verzadigde lucht me de keel toesnoerde. Veilig geleid door de oude gewoonte, zocht ik tusschen de tallooze, elkaar kruisende trams en koetsen mijn weg, doch het bellen en stampen van wagens en paarden, het onophoudelijke uitwijken en botsen met den op- en neerstroomenden menschenvloed maakte me heden zenuwachtiger dan anders.

Was de onmetelijke, doodsche rust van het landschap tijdens de vaart het eene uiterste geweest, hier was nu het andere.

Als een machtigen storm, zonder rust noch duur, vloog dat alles aan mij voorbij. Even spookachtig als eerst de stilte geweest was, leek mij nu weer al die drukte. Deze schreeuwende, krioelende, met zweepen klappende en met bellen klinkende chaos, waartusschen de menschen voorbijijlden met kille, onbarmhartige gezichten, als waren zij zelf niets dan raderen van een reusachtige machine, kwam mij op klaarlichten dag voor als een angstaanjagenden spokenoptocht, die met verlammenden spoed en oorverdoovend gerucht den sidderenden wandelaar voorbijraasde. De logge, geelroode massa's der ratelende tramwagens smolten ineen tot één bruinen wirwar van lange, hoekig opgestapelde reuzengolven, — de hemelhooge huizen rondom leken grauwe, versteende zuilen van het overal opdwarrelende stof. Ik dacht er niet meer aan, hoe ik nog kort geleden een dergelijk tooneel als de meest grootsche openbaring van een werkelijk geweldig tijdsgewricht bewonderd had — op mijn moede hersenen maakte dit geheel heden den indruk van een krankzinnigen strijd om niets, van een dans om de koude zuilen van den tijd, van een zwermen van ééndagsvliegen om een nutteloos, doelloos brandend licht.

Hoog en zwijgend, een beeld van dit middelpunt zelf, verrees boven het zwarte gewemel van menschen het bloedroode sfinxenhoofd van den Raadhuistoren naar den rookerigen, door de telegraafdraden allerwege als met sombere notenlijnen beschreven hemel. De groote wijzer van de reuzenklok gleed langzaam en statig voorbij de harde, metalen cijfers — het raderwerk arbeidde, beneden zwol de menschengolf en slonk weer weg, heden deze, morgen gene, millioenen voelende zielen dansten een werveldans om de gevoellooze, ijzeren veer, die afrolde en de uren sloeg, de maanden, jaren, eeuwen. . . .

Het was het uur, waarop de zaken gesloten werden, waarop de moede arbeiders en de moede kantoorslaven

Sluiten