Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich op straat verdrongen. Nog wilder klonk het gedruisch; de omnibus, die daar aanwaggelde, hoog opgepakt met menschen, als een eiland in den zondvloed, kraakte onder den last. Ik ging tweemaal langzaam de Koningstraat op en neer — doelloos, gedachteloos, medegesleurd door den stroom. In deze engte van huizen bespeurde men niet dat de zon al dieper en dieper zonk. Verweg buiten, waar ik vandaan gekomen was, zouden nu wel de jonge korenvelden opglanzen in helle bronskleur van den weerschijn van het zinkende oog der wereld. Hier zag men slechts een vluchtigen gloed in een dakvenster, een rossen glans om den gouden koepel der Mariakerk, tegen het nevelige, grauwe blauw der lucht, boven een straatingang een trillende reflexvlam in de reusachtige parallellen der telefoondraden. En in de gezichten der menschen, overal roode, moede oogen, bleeke kamerwangen — zenuwachtige gejaagdheid in de bewegingen — saamgeperste lippen, de ijzige kilheid van een dag van zaken-doen was diep ingevreten in het hart — waarom streed, waarom verdrukte en verpletterde zich deze menigte? Om een paar ellendige jaren, om een vervliegend, wegschuimend genieten, om een leven, welks zin duister was. De klokken van de Nikolaaskerk mengden nu van uit hun verborgen hoek achter het Raadhuis hun wonderen, vreemden avondzegen in het hoefgetrappel op het asphalt en het bellen der trams. Dat was nu de stem van de oude, schijnbare verlossing, zooals dit wemelende termietenleger zich die voorstelde. Hoeveel heimwee, hoeveel geestesstrijd, hoeveel arbeid der uitnemendste, diepste gemoederen in zoovele eeuwen lag daarin opgesloten! En toch: wat een zwak geluid in dit rumoer — en wie luisterde ernaar! Wat beteekende het voor dien fatterigen, jongen koopman, die daar in zijn licht zomercostuum met een koud, geblaseerd gezicht van zijn kantoor naar huis slenterde, in iederen trek een kind van zijn tijd, van boven af uitgeperst, bedrogen, onderdrukt, en naar beneden zelf een verdrukker, een geraffineerd bedrieger, geboren en opgevoed in den drang, tusschen de duimschroeven dezer beurswereld,een product, dat evenmin anders kon zijn als de plant, die op eer. bepaald plekje opschiet? Wat zei het den arbeiders, met hun ruige baarden, die daar met ruw gelach en krachtige elleboogstooten zich baanbraken door de bonte menigte, en achter wier lachen en ongegeneerd stooten in waarheid zooveel stil dulden school, zooveel onmachtig tandenknarsen — ook zij producten van hun tijd, welks wanhopig probleem niet opgelost

Sluiten