Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kon worden door een zacht klokje des gebeds, maar hoogstens door de ijzeren stormklok van een aardsch wereldgericht? En wat zei het aan dit schepsel met haar geblanket gezicht, dat loerend voorbij de zuilen van het station sloop, tusschen bloemenverkoopers en schoenpoetsers, geen meisje en geen eerbare vrouw, verlept in de zonde en toch in den grond niet slechter dan deze groote, elegante leugenwereld rondom haar, dan die niet verloste, rondwarende zonden der wereld, haar, die verliefd zijn moest om den honger te stillen, die nooit kwam buiten de atmosfeer der goten, waarlangs haar uitgeloopen laarsjes en de vuile zoom van haar rok sleepten... ja, het waren spoken, die ik zag, hecatomben, die ten grave daalden, geroepen door stemmen als van die klok, die harteloos niets deed dan den tijd aan te wijzen in het sterrenboek, om dan deze doellooze warreling voor te liegen van het zekere werken van een eeuwige wet — als van die kerkklok, welke slechts de onmacht van alle troostgedachten over den eindeloozen spokenoptocht scheen uit te klagen in zacht jammerende geluidjes.

Lucht! Lucht!

Ik had nog geen lust om naar huis te rijden. Als ik maar uit deze stoffige atmosfeer kwam. Misschien was het aan het water beter uit te houden. Ik liep de nieuwe Friedrichsstraat door en een eind ver de Spree langs. Maar ook hier vond ik aan het station Jannowitzbrug hetzelfde haasten van menschen. Het gewemel der wagens op de brug maakte me duizelig; boven de sombere rivier scheen de rookerige adem der fabrieken te hangen als een dikke nevel, geen verkwikkende koelte, maar stof tot op de roeibootjes toe, die onder de bruggewelven snel heen en weer schoten, tot op de daken der badinrichtingen, die als zwarte, wanstaltige moerasmonsters naar de oevers staarden. Van den overkant van het water klonk muziek uit een buitenherberg. Ik ging daar even binnen en bestelde een glas bier.

Hier was het tenminste eenigszins rustig. De op elkaar gedrongen rijen wagens en het wemelende leger der voetgangers op de brug en op den tegenovergestelden oever schenen zich van dit smalle terras af als in de witte vlek van een tooverlantaren te bewegen, schaduwbeeldjes die snel verwisselend voorbij den wand trekken. Het rumoer versmolt tot één groot bruisen, dat hol over het trage, vettig glanzende water klonk. Tusschen de schrale, helgroene, ronde kronen der acacia's boven mijn hoofd werden allengs

Sluiten