Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dezen God zelf. Hoe kwam het dat dit Godsgedeelte der ziel in mij zoo goddeloos werd, dat het den wensch vormde: Gods leiding mocht een andere zijn, dat het van iets droomde wat heerlijker was dan het logisch gewordene, dat toch juist in zijn logica het Goddelijke was?

Immer zwaarder drukte die gedachte op mijn hersenen. De vale glans aan den hemel doofde uit, het watervlak werd zwart en weerspiegelde de vlammen der kandelabers op de brug; in de straat op den anderen oever lichtten de groote spiegelruiten der winkels met hun matten schijn achter de dansende blauwe muggenoogen van heen en weer suizende huurkoetsen, en de schelle, gekleurde zonnen der paardentrams, die somwijlen opvlamden als een roodgloeiende smidshaard en even snel weer verdwenen. Af en toe rumoerde een trein over de brug en beheerschte een wijle het heele tooneel. Het was me of het trompetterlied zich tot in 't oneindige gerekt had. Toen voor de laatste maal het refrein trillend tot me overgeklonken was, meende ik dat ik urenlang had zitten peinzen over zijn diepzinnige vraag en dat het resultaat toch nog altijd het kwellend terugkeerende antwoord was, dat geen antwoord was:

— Het heeft niet mogen zijn.

Een mot, die in een der vlammetjes aan den ijzeren boog boven mijn hoofd gevlogen was, viel met verschroeide vleugels op mijn tafel, ik zette den harden boden van mijn bierglas op het diertje om aan zijn smartelijk bestaan ras een einde te maken. Maar toen het stof der verbrijzelde vleugeltjes als glanzend bronzen korreltjes aan mijn bierglas kleefde, toen scheen ook dat mij weer een beeld, bij die melodie en bij mijn gedachtengang zich aanpassend. Ook dit arme ding ondervond stervend pijn — het Godsgedeelte in hem had in de pijn als dol op het tafelvlak gedraaid — en ik, ik gaf het den dood als een verlossing.

Den dood, — den dood.

Wat was de dood?

Verpletterd lag daar het kleine lijfje, niets bewoog er meer in. En toch was het geheel nog immer een natuurvoorwerp, stof, met kracht bezield, nog «immer was het een Godsdeel, iets goddelijks in dien zin. Alleen de smart was er nu niet meer. Was dus in hem alleen maar iets ongoddelijks, goddeloos' wat de stoot van mijn glas vernietigd of verlost had? God was de oneindige krachtsopenbaring in de natuur — de smart stierf. Was de pijn in deze mot evenals in mij de eenige manifestatie van deze wereld, die

Sluiten