Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jarenlang in gewoond. In den onzekeren, onrustigen schemer van het stearinelicht, waaraan mijn oog niet gewend was, verhieven zich de glanzende bladermassa's van de bloementafel als een spookachtig verwarde bos. De groote buste van den Hermes van Praxiteles op de hooge boekenkast keek, van onderen op belicht, met een vreemd gelaat, door de ongewone schaduw van een zacht-menschelijk voorkomen veranderd in een hard, demonisch vertrokken masker, naar omlaag. De Perzische portières voor de slaapkamer hingen zwaar en somber op den achtergrond; dit licht maakte de vroolijke, bonte kleuren niet wakker en gaf aan de dikke plooien iets steenachtigs, als waren ze verstijfd in eeuwige rust. De kleine kooi met mijn kamergenooten, de exotische vogeltjes, verdwenen geheel in de schaduw — ze sliepen zeker ook.

Nadat ik een poos van den eenen muur naar den andere gestaard had, gevoelde ik de behoefte ergens een of andere beweging te hooren, bij mijn huisheer of op de gang. Ik wilde niemand zien, met niemand spreken, maar ik wilde weten dat er menschen in mijn nabijheid waren. Juist nu hoorde ik ook gerammel aan de buitendeur, maar het verstomde dra, voetstappen verwijderden zich naar de trap. Het kleine vrouwtje ging haar man afhalen aan de drukkerij.

Een minuut lang ging mij, terwijl ik toch anders niets prettiger vond dan geen enkel geluid te hooren in de avonduren van opgeruimd werken, een vreemde huivering over het lijf, een zacht beven langs den rug. Dat kwam ongetwijfeld van de opwinding over al die geesten in de laatste dagen. Doch ik herstelde mij vlug. Dat was toch dwaasheid. Ik sperde mijn oogen wijd open en leunde gemakkelijker in het hoekje van mijn sofa. Mijn gedachten keerden onwillekeurig naar Edmond terug, hoewel ik mijn best deed mij niet onnoodig ongerust over hem te maken en vóór alles niet dadelijk het ergste als waarschijnlijk aan te nemen. Ik had zooveel hooren praten over den dood en het overwinnen van den dood in de laatste dagen. Wij, levende en gezonde menschen, hadden gezwelgd in duizend phrases en veronderstellingen — en nu zou hij, die daar geen deel aan had...

Dat was niet te begrijpen, dat kón niet zijn — neen, dat was ook niet zoo. En toch viel mij nu juist weer in, juist toen ik meende die gedachte met nieuwe energie teruggedrongen te hebben, dat het toch vreemd was, dat Edmond in het geval dat hem inderdaad iets overkomen ware, tweemaal achtereen aan Thérèse getelegrafeerd zou hebben. Dat lag

Sluiten