Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vriend, van wien ieder groote verwachtingen had en die geen mug kwaad zou doen, kwam uit zijn geboorteplaats, waar hij zich juist als arts gevestigd en zich onder de gelukkigste omstandigheden veertien dagen te voren verloofd had, voor een academiefeest een paar dagen over; het kinderachtigste misverstand leidde tot een uitdaging en den volgenden ochtend lag de man met een bebloed hemd, de doodelijke kogel in de borst, voor ons in het gras uitgestrekt...

Ik zag nog duidelijk dien neveligen morgen in het afgelegen park, waar het duel plaats gehad had, ik zag nog den geneesheer met zijn verbandkistje, het platgetreden gras, in welks vochtigen, frisschen geur zich de scherpe reuk van den kruitdamp mengde, de bleeke gezichten der omstanders, die nog een snelle, droevige verzoeningsscène tot stand brachten, waarbij de hand van het slachtoffer reeds door den dood verkild was.... in de verte, aan den zoom van de open plek, stond ons rijtuig, de lederen kap glansde vochtig, in de nog kale booinen krijschte een ekster, de instrumenten van den arts kletterden en toen klonk het afgemeten: — Mijne heeren, het hart heeft daar juist nnorphnnHpii fp klnnnpn — dp dood!

VK&V,,VMMV" '""rr— —

De dood, de dood!

En het was alsof zich nu aan dit eene woord, dit eene

u 1 A uon tiui fanratiurnnrHinrP 5l1c tllPlIWP

Utciu vei al W1JIV.CI1U van uti itgvnnuuiuigv, v

schakels aan een keten, nieuwe beelden aansloten — beelden, zóó duidelijk en zóó scherp, alsof ik droomde, hoewel ik mij duidelijk bewust was, wakker te zijn en ik bij mijn zenuwachtige overspanning er niet aan dacht te gaan slapen — beelden van vroegere gebeurtenissen, waarbij de dood dicht aan mij voorbijgegaan was in mijn leven. In mijn jonge jaren, toen ik nog een knaap was, was het voor de eerste maal geschied. Ik was uit mijn kostschool in de dichtstbijzijnde groote stad in allerijl teruggeroepen naar het kleine nest, waar mijn ouderlijk huis stond — het was juist vóór Kerstmis — een dag vroeger dan ik anders toch naar huis gegaan zou zijn. Mijn moeder was op eenmaal gestorven. Het eerste wat ik zag, was buiten in de gang, de kerstboom, dien zij zelf nog gekocht had. Toen kwam ik in een groote kamer, waarin kaarsen brandden. Het gelaat der doode was schoon en vriendelijk, in de kamer rook het naar laurier en oranjebloesem, kransen lagen, tot groote hoopen opgestapeld, rondom. De luiken voor de vensters waren gesloten, maar toch kwam nog een zonnestraal naar binnen en viel op een grijze lok ...

11

Sluiten