Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik weet nog, hoe ik toentertijd in het eerst niet schreien kon, hoewel ik toch een gevoelig kind was; ik had de gewaarwording: *Hoe mooi!» Hier maakten mijn gedachten een zijsprong. Ze gingen niet aanstonds naar andere doodstafereelen. Zij sponnen dien eenen draad verder af. Het oogenblik, dat ik vele jaren later voor het eerst na lange jaren moeders graf weer bezocht, kwam mij voor den geest. Dat was op een rustigen zomernamiddag. Óp dat kerkhof, nog maar pas aangelegd waren geen hooge boomen, alles was er licht, zonnig, omstraald door de heldere lucht. Bloemen groeiden er in alle kleurschakeeringen, ietwat verlept door de zomersche hitte — naïeve, troostbehoevende wijsheid op al die steenen, al die kruisen. Door de groote, open laan fladderde een eenzame, goudbruine vlinder, wankelend, als dronken van al dien zonnegloed. Lang keek ik het diertje na tot het tusschen de bloemen en de graven verdween.

Op den grafheuvel, dien ik zocht, lagen verwelkte kransen, hij was ietwat ingezonken, als wilden de verrotte bladeren naar beneden in de raadselachtige diepte, — stof, dat tot stof wilde wederkeeren, asch van bloemen en asch van menschen — waar was haar geur, waar was hun geest?

Toen ook dit beeld weer langzaam verdween uit mijn innerlijken gezichtskring, scheen het een oogenblik gansch donker te blijven in mijn geest. Ik voelde een wilde, heerlijke moeheid, en een suizen in de ooren. Heel duidelijk voelde ik echter nog den druk van mijn hoofd op mijn hand — voor mij een teeken dat ik niet sliep.

Maar ik geloof, dat ik niets meer zag van de kamer om mij heen, hoewel die mij na het verdwijnen van het laatste herinneringsbeeld, toch weer voor de geopende oogen had moeten komen. Misschien ook zag ik iets onbestemds, den engeren lichtkring van de kaars, omlijst door compacte duistere schaduwen.

Als een flikkering, als een zoeken van het bewustzijn, dat terug wilde keeren naar het begin van de visioenenketen, om weer vrij te worden, omzweefde mij daarop — niet uitgesproken, niet gezien, maar toch duidelijk het woord: «Edmond».

En er was daaraan een begrip verbonden, dat aan dezen naam een klank gaf als van dien van een reeds lang gestorvene, die nog slechts in mijn herinnering voortleefde, gelijk bijv. de naam en de gestalte van moeder. Die is al lang dood, lang dood, zóó ongeveer klonk het in mij.

Sluiten