Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonken, het voorhoofd half geklemd tusschen het openstaande venster. Van buiten drong de matte morgenschemering naar binnen en vermengde zich met het gele licht van de lamp. Een vochtige geur steeg op uit de acacia's. Een oogenblik bezon ik mij, of de gebeurtenissen van dien nacht niet alle beelden geweest waren uit een enkelen, langen droom. Doch ik zag mijn zegel op tafel en dacht aan het geschreven protokol. De morgen kwam — en met hem moest zekerheid komen aangaande Edmonds lot. Ik wachtte aan het open venster af. Steeds geler werd het lamplicht. De straat beneden werd wit. Een eenzame huurkoets ratelde met groot gedruisch naar het station. Recht voor me, in het Oosten, verfde zich de hemel gloeiend rood en in dat licht wies langzaam, langzaam het groote panorama van Berlijn voor me op, zooals dat van uit mijn hooggelegen kamer zoo heerlijk te overzien was. Tusschen de intensgroene kronen der acacia's van het reusachtige exercitieveld hing nog iets als een schemerend nevelveld, waarboven uit zich aan gene zijde de boomgroepen verhieven als blauwige eilanden uit een verre wereld. Links gloeide meer en meer een purperblok op: de artilleriekazerne met haar zandsteenbekleeding; recht vóór mij de zware, roode dakenmassa en de gele venstergevel van het Invaliedenhuis, verder naar rechts het groenachtige dak van het Lehrterstation, de gele torens van de ulanenkazerne en eindelijk in het diepe zwart-blauw de koepel van het tentoonstellingsgebouw. Doch ver over dat alles, blauwachtig gespannen over het rozentapijt van den ochtend de teere silhouet van de eigenlijke wereldstad: ver weg achter den goudglanzenden adelaar van het Invaliedenmonument was in den nevel nog heel even de slanke obelisk van de Mariakerk zichtbaar, de stompe zuilen van den Raadhuiskoepel, de grauwe tempelkoepels aan de Gendarmenmarkt, hier en daar er tusschen in de smalle, roode lijn van een reusachtigen fabrieksschoorsteen. Nu was de gloeiende ronding der zonneschijf zelve zichtbaar, haar roode, vurige adem bliksemde tusschen de pilaren door van de, juist uit den nevel oprijzende, Zionskerk en daarna als een gouden reuzenwaaier over het heele panorama heen. Een leeuwerik jubelde met schellen roep van het exercitieplein den nevelig groenen ether in.

Beneden een wagen, nog een. Nu een bakkersjongen, fluitend, een sneeuwvlek tegen het grijs van de stoffige straat, een melkwagen, arbeiders, alleen en in paren, met

Sluiten