Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij aan naar den koelen, groenen plantenvrede harer stille paden. De Spreebrug klonk hol onder mijne voetstappen en weldra wandelde ik, nu doelloos, op goed geluk af de onder het loover verborgen zijpaden in. Van de natte twijgen af druppelde het dof in het vochtig groene gras, een aanhoudende regen van dikke dauwdruppels, die mijn hoed en jas snel dóór en dóór nat maakten. Alles was hier nog leeg, uitgestorven, zoo stil als lag de ban van den nacht nog allesbeheerschend over dit witblauwe, schemerlicht. Een tijd lang voelde ik den koorstaandrang weer sterker naar mijn hersenen, daar mijn oog niets had, waar het op kon blijven rusten in deze omgeving. Plotseling toen een gevoel als van ontwaken, een schrille vogelstem klonk

in mijn oor voor mijn oog strekte zich de met bosch

omzoomde watervlakte van het nieuwe meer uit, naast mij verhief zich de zwarte massa van een der leeuwen van de brug. Ik leunde met den arm op den bedauwden, ijskouden kop van het slapende monster en zag in de verte voor mij uit. Het spiegelbeeld der boomen van rechts strekte zich met zijn hoekige, zwarte vingers nog bijna over den heelen vijver uit. Uit den grauw-groenen oeverzoom van weelderig loover en verwarde ranken stroomde een sterke geur naar boven. De wilde waard, die daareven met schellen roep plomp en schuimspattend midden in het zwarte vlak gevallen was, zwom nu vreedzaam naast zijn beide bruine wijfjes. De mat schemerende kristalvlakte wiegde zacht, en door het lage water heen bespeurde het oog duidelijk het fluweelgroene, rythmisch op en neer golvende tapijt van wier en van vedervormig uitgespreide planten op den bodem; nietige vischjes, meer schaduw dan lijf, snelden door dat geheimzinnig kreupelbosch; een salamander kwam, met zijn staart slaande, loodrecht tot aan de vlakte van het water en liet zich toen in eens, als een losgelaten steen, weer omlaag vallen.

Wijd en zijd was geen enkele bezoeker te bespeuren. Nauwelijks drong een verwijderd geratel van de Charlottenburger Chaussee door den nevelmuur heen. Een verfrisschende koelte woei tegen mijn voorhoofd. Al lag heden ook in heel de natuur iets benauwends en spookachtigs: deze plaats wekte herinneringen in mij op, waarbij het mij in deze stemming goed deed te verwijlen. Ik kende dit plekje zoo goed — van gelukkige uurtjes — nu al lang, heel lang geleden.

Reeds meer dan drie jaar geleden, had ik juist hier

12

Sluiten