Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo menig rendez-vous gehad met een jong meisje — een vluchtige amourette, vergeten in de kolken van de voorwaarts bruisende golf, gelijk zooveel dingen. En het was toch eens zoo heerlijk geweest! Hier hadden we elkaar zoo inenigen Zondagmorgen ontmoet; daar op de bank, die nu glansde van vocht, hadden we gezeten, dan waren we naar de «Tent» opgewandeld om daar koffie te drinken en een beetje naar de muziek te luisteren. En dan 's avonds weer in den maneschijn, wanneer de boomen zwart oprezen tegen het zilverblauw, de vleermuis over de grauwe wateren streek en de philister thuis een kruis sloeg bij de gedachte nu in de onveilige Diergaarde te wandelen. Ten slotte haalde ik het heele landschap voor den geest als het met sneeuw bedekt was, ik hoorde de muziek op het ijs en zag in de goudroode belichting van den winterschen dag een lief gezichtje met blauwe oogen onder een verlijdelijk elegant bontmutsje mij toelachen — — en nu was het reeds Thérèse's beeld, dat ik zag . . . arme Thérèse!

Als wilde ik met geweld mijn gedachten ver houden van dezen naam, waarbij het bloed mij in de slapen begon te kloppen, als zouden de aderen springen, wijdde ik al mijn aandacht aan de dichte planten op den oever.

En weer kwam als 't ware een boodschap des vredes tot me, mijn gedachten dwaalden af, oude herinneringen, zij het dan ook van heel anderen aard, doken voor mij op. Ik zag me zelf in mijn besten studententijd — aan de zijde van den dikken botanicus met zijn eeuwig opgeruimd gezicht achter enorme brilleglazen, met zijn eeuwigen bierdorst en de kinderlijk-naïeve ziel, die behoorde bij zijn wetenschap — — hij woonde nu ook in Berlijn met een verrukkelijk lief vrouwtje — ik zag ons weer rondklauteren tusschen het gespleten eruptie-gesteente van het Rijnlandsche Zevengebergte, waar tusschen spits trachiet-puin en bazaltblokken hoog boven in de verrukkelijk zuivere lucht ieder voorjaar

een heel Eden van kostelijke planten deed ontkiemen

zalige tijd, dagen van rein, onzelfzuchtig opgaan in de wetenschap.

Hoe ver was ik heden?

In dit oogenblik schoot mij een gedachte te binnen. Ze kwam als een bliksemstraal, die mijn duistere ziel eensklaps helder verlichtte.

De professor, mijn vriend! Als ik eens naar hem toeging, bij hem mijn troost zocht?

Sluiten